vrijdag 30 mei 2014

Traangas

Het Museo para la Identidad Nacional van Honduras – het Museum voor de Nationale Identiteit – in Tegucigalpa doet er alles aan om eventuele minderwaardigheidscomplexen onder de Hondurese bevolking de kop in te drukken. Ik kijk naar een potsierlijke kaart aan de muur. Een vormgever heeft de geografische omtrek van Honduras op die van de machtige naties Nederland, Denemarken, Bulgarije en Portugal geplakt. Honduras blijkt van vergelijkbare grootte, leert het oog: “Het is verkeerd om aan te nemen dat Honduras een klein land is!”

De propaganda is erg, maar niet zo erg dat het de waarheid geweld aan doet. De lange periode van dictatuur, de mallemolen van coup naar contra-coup naar contra-contra-coup, in de jaren '60 en '70 wordt uitgebreid belicht, maar, zo zegt een volgend display als ik de hoek om sla: “Inmiddels maakt de Hondurese bevolking al bijna 30 jaar trots gebruik van zijn democratisch kiesrecht!”.

Dan word ik uitgewuifd door een banier met president Manuel Zelaya erop. Het is een karakteristiek beeld van Zelaya met brede lach, witte tanden, grote snor en een cowboyhoed. Zo kennen we hem. De tekst op de vlag: “In 2006 maakte de Hondurese bevolking voor 16de keer in 25 jaar gebruik van het stemrecht en verkoos Manuel Zelaya tot president van de Republiek Honduras!”.*

Zodoende is de opening van de tentoonstelling vrij exact te dateren: ergens tussen 27 januari 2006 en 28 juni 2009. Want op die dag werd president Zelaya bij de kraag gegrepen door het leger en met een militair vliegtuig naar Costa Rica gevlogen en was hij niet meer welkom in zijn vaderland.

Het Museo para la Identidad Nacional vond het blijkbaar onnodig of onwenselijk om de banier met Zelaya te verwijderen en een nieuw hoofdstuk aan de tentoonstelling toe te voegen. Dat kan ik ze nauwelijks kwalijk nemen, want het hoofdstuk wordt nog volop geschreven en de afloop is ongewis.

Op weg terug naar het hotel. Er is iets gaande in de binnenstad volgens de taxichauffeur, maar ik begrijp niet goed wat. De chauffeur heeft de radio met nieuwsberichten luid opstaan en steunt en zucht en klaagt en gesticuleerd. Er is heibel bij het parlement. Dat ligt dicht bij het Plaza Central en de kathedraal en dat knooppunt ligt tussen ons en het hotel. De gare Hyundai zig-zagt door nauwe, steile straatjes, negeert af en toe een eenrichtingsverkeer-gebod, en duwt zich toeterend een weg door het verkeer van Tegucigalpa dat zich klem rijdt in de straten rondom het afgezette Plaza Central.

Dan huilende mensen, en zakenmannen die hun mond en neus bedekken met hun das en vrouwen die de ogen van hun kinderen uitspoelen met water. “Ah, traangas!”, zegt de chauffeur met afschuw en hij trekt zijn T-shirt over zijn mond. Hij doet een beetje theatraal. Het kriebelt in mijn neus en mijn ogen prikken een beetje, maar het ergste is duidelijk al voorbij. Ik vraag: traangas? Wie, wat en waarom? Maar de taxichauffeur praat snel en dialectisch en het enige dat ik begrijp is: protesten bij het parlement, de politie gooit met traangas.

De oudere dame die Hotel Nuevo Boston uitbaat, weet aanvankelijk niet waar ik het over heb. “De politie gooit met traangas, iets bij het parlement.” Ze zucht en heft haar handen ten hemel. “Moe! Moe word ik ervan! Dat is Zelaya. Altijd weer opnieuw.” En dan installeert ze zich voor de televisie en voeg ik me erbij.

Het is de beste live-televisie die ik ooit heb gezien. We bevinden ons in het parlement. Dat is bestormd en ingenomen door kamerleden van Zelaya's partij Libre! en een bende militante aanhangers én Zelaya zelf. De eigenares wijst hem aan, maar ik had hem al herkend, zelfs zonder cowboyhoed. Ik dacht dat Zelaya in ballingschap zat in de Dominicaanse Republiek, maar mijn informatie is verouderd. Zelaya is terug, is weer lid van het parlement en voert heftige oppositie tegen de regering. Ze hebben de deuren gebarricadeerd en zich ingesloten, samen met een cameraploeg. (Ik denk aan Marshall McLuhan en zijn observaties over pseudo-events: gebeurtenissen die nooit zouden hebben plaatsgevonden als er geen media was om erover te rapporteren.)

De journalisten doen live-interviews met partijleden en aanhangers. Hun reacties worden briesend weggewuifd door mijn gezelschap op de bank. “Die mensen komen allemaal uit de barrio's”, zegt ze laatdunkend. Barrio betekent letterlijk 'wijk', maar vaker wordt er een arme wijk, een achterstandswijk, een ghetto mee bedoeld. Het is duidelijk dat deze keurige middenstanders, in dit keurige hotel, weinig sympathie voor Zelaya, man van het volk, voelen.

Is Zelaya een schurk of een weldoener? Honduras is er zeer over verdeeld. De democratisch verkozen Zelaya werd door het leger afgezet, omdat hij de grondwet zou hebben overtreden. In Honduras mag een president volgens de grondwet slechts één termijn dienen. Zelaya wilde dat veranderen, volgens sommigen om meer macht naar zichzelf toe te trekken.

Tijdens zijn regeerperiode schoof Zelaya, lid van de liberale partij, steeds verder op naar de linkerkant van het politieke spectrum. Hij verhoogde het minimumloon van 6 dollar naar 9 dollar per dag en knoopte banden aan met de despotische president Hugo Chavez van Venezuela. De oppositie meende dat Zelaya bezig was een socialistische dictatuur te stichten naar Venezuelaans model. Zelaya meende dat de huidige grondwet ineffectief en verouderd was en vooral diende om een rijke, politieke elite in stand te houden. Ter verdediging van Zelaya: hij zocht de grondwetshervorming op een democratische manier, via een referendum. Maar zover kwam het niet. Een gerechtshof veroordeelde Zelaya en het leger schopte hem buiten. Zelaya sprak over een complot van politiek rechts, rijke industriëlen en het leger.

Het wordt nu echt spannend op televisie. De oproerpolitie probeert de deuren van het parlement in te beuken. Die zijn stevig en ze houden lang stand, maar uiteindelijk stroomt de kamer dan toch vol met agenten, de wapenstok in de aanslag. Men vormt een cordon rond Zelaya en zijn aanhangers – die hingen eerst nonchalant op de banken, nu staan ze in groep en zingen liederen – en gebiedt hen het parlement te verlaten. Dat gebeurt niet en er wordt traangas afgeschoten. De verslaggever en cameraman rennen hoestend de zaal uit. Als ze weer terugkomen zien we hoe de politie de menigte door de deuren drijft, de gang in, naar de uitgang. Maar de gang is smal en de trappen ook en de groep is groot, dus het gaat niet zo snel als de heren met wapenknuppels willen. De camera probeert met alle macht bij de actie te blijven.

Buiten aangekomen valt de groep uiteen en is er chaos. Zelaya en zijn directe medestanders proberen de nog altijd oprukkende politietroepen tot rust te manen. Ik zie veel bebloede koppen. Dan krijgt een man in een pak – een parlementslid? – een tik en valt op de grond. Trouw aan de tradities van ordetroepen wereldwijd daalt een regen van knuppelslagen op de gevallen man neer. Zelaya schreeuwt en gebaart heftig, duwt zich naar voren en raapt eigenhandig zijn kameraad van de vloer.

Hier kan geen campagne tegenop. Hier neemt een politicus alleen en ongewapend het op tegen een klein leger aan briesende ordetroepen. Deze man moet je op dit moment wel geweldig vinden, ongeacht je politieke kleur, ongeacht het feit dat Zelaya donders goed weet dat er een camera op een meter afstand staat en dat heel Honduras achter de tv zit. Zouden de politiemannen beseffen dat ze eigenlijk voor Zelaya werken?

Daarna wordt het saai en gaat iedereen naar huis en filmt de camera de schade aan het parlement.

Tegucigalpa is geen fijne stad, maar de hel op aarde is het ook niet. Er zijn veilige plekken om 's avonds te gaan eten, maar daarvoor moeten we weer richting het Plaza Central. We hebben het al een uur uitgesteld vanwege de Zelaya-soap en nu beginnen de magen echt te knorren.

We lopen een beetje op de tast, controleren de straten voordat we verder gaan, want deze onschuldige omstanders hebben geen zin om onder de voet te worden gelopen door een charge van de M.E. Op het plein verveelt de politie zich, er is geen betoger meer te zien. Straatstenen ontbreken her en der omdat ze als projectielen zijn gebruikt. Het ruikt er scherp als een Indiase keuken.

Als we aan de avond-dis zitten in een restaurant met een stalen deur en tralies voor de ramen, zeg ik: “Hadden we die Australiër niet moeten meepakken?”
Dat dacht ik ook al. Maar ik had geen zin in hem," antwoordt mijn geliefde.
Nee, ik ook niet.”

Met 'die Australiër' bedoelen we de antipode medemens die halverwege de live-uitzending in het – zo goed als verlaten – hotel incheckte. Hij is een beetje verward en zenuwachtig want hij arriveerde in Tegucigalpa terwijl het traangas in de rondte vloog, winkeliers de luiken dichtdeden en de bankautomaten tijdelijk dienst weigerden. Hij is slecht op de hoogte. Over alles. Ik leg, desgevraagd, uit wie Zelaya is. En ik zeg dat hij ook overal met dollars kan betalen, dat de Lempiras gerust tot morgen kunnen wachten. Ik noem de huidige wisselkoers en zeg dat je overdag zonder problemen geld kan wisselen op straat, omdat iedereen dat hier doet en het goedkoper is. Ik schrijf het adres van een bioscoop voor hem op, geef mijn mening over de correcte prijs voor een taxi-rit, beschrijf de weg naar het plein en de hoofdstraat en het uitstekende Museo para la Identidad Nacional en de vragen blijven komen en komen. Het is gaan schemeren, het wordt donker in de lobby, de eigenares heeft ons verlaten en ik sta al tien minuten recht om te vertrekken, maar kom niet van de Australiër af, die blijkbaar geen weet heeft wat te doen, wat het leven na de lobby zal brengen.

Hij wacht op een uitnodiging, maar ik heb geen zin in hem. En mijn geliefde ook niet. Als er een camera op ons gericht stond, had het wellicht anders geweest.


*Gefingeerde getallen wegens gebrek aan aantekeningen

zondag 11 mei 2014

Symfonie van de oude schoolbus

Gepensioneerde Amerikaanse schoolbussen zijn zeer geschikt voor een tweede leven als lijnbus in Latijns-Amerika: de gele monsters van massief staal zijn niet kapot te krijgen – behalve misschien door een anti-tankmijn –, iedere monteur kan ze aan de praat houden want onder de motorkap zijn ze welhaast vooroorlogs simpel en er is een Matterhorn aan reserve-onderdelen beschikbaar: succesvolle bustypes werden decennialang geproduceerd, sommige types zijn al sinds de vroege jaren '50 in productie – met af en toe een update uiteraard. En tot slot zijn de inwoners van Guatemala of Honduras of Nicaragua ongeveer even groot als Amerikaanse schoolkinderen en passen dus zonder veel moeite in de kabouterbankjes.

Ik ben niet ongeveer even groot als een schoolkind. Mijn benen liggen in het gangpad. De bus is nog vrijwel leeg. Buiten schreeuwt de ayudante herhaaldelijk 'Esteli, Esteli, ESTELI!' om de mensen te laten weten dat deze bus naar Esteli, Esteli ESTELI! gaat. Het klinkt zeer dringend, alsof zij die naar Esteli, Esteli, ESTELI! willen, zich moeten reppen, zelfs een sprintje moeten overwegen, omdat de bus naar Esteli, Esteli, ESTELI! elk ogenblik het station uit kan rollen. De ayudante klinkt als iemand die een paard aanvuurt, de woorden klappen als een zweep. Het is drie kwartier voor vertrek.

De bus druppelt langzaam vol. Rond ons kolkt de bedrijvigheid van busstation Leon, Nicaragua. Als de bus voller raakt, wordt hij interessant voor verkopers. Een man komt binnen, behangen met zakjes chips, pakken koek en andere knabbeldingen. 'Papitas, Yucitas, Galletas!', ratelt hij. 'Papitasyucitasgalletas, Papitasyucitasgalletas!' Dan volgt een vrouw met een mand op haar hoofd. Zij verkoopt 'Taaaaamaaaaales, Taaaaamaaaaales'. Tamales zijn hapjes van maisdeeg, gevuld met reuzel, kaas, soms een ei of varkensvlees. Samen met de Papitasyucitasgalletas!-man vormt ze een melodieus duet. Haar stem is diep en weemoedig, haar 'taaaaamaaaales' langgerekt als een klaagzang, zijn stem helder en dwingend en zijn woorden staccato.

Papitasyucitasgalletas!
Taaaaamaaaaales
Papitasyucitasgalletas!
Taaaaamaaaaales
En altijd: Esteli, Esteli, ESTELI!

Een tweede vrouw komt de bus binnen met huisbaksels – haar lijf even omvangrijk als haar collega, haar stem zwaar als een dokwerker. In haar mand zitten Queeeeesiiiiiilloooos! Queeeeesiiiiilloooos! (een tortilla met uitjes en mozzarella, overgoten met zure room, geserveerd in een plastic zakje).

Papitasyucitasgalletas!
Taaaaamaaaaales
Queeeeesiiiiiilloooos!
Papitasyucitasgalletas!
Taaaaamaaaaales
Queeeeesiiiiiilloooos!
(Esteli, Esteli, ESTELI!)

Als een verkoper de bus verlaat, staat de volgende klaar om met zijn waar door het smalle gangpad te laveren. Niet zelden zijn het kinderen. Die hebben een doos van het één-of-ander op de kop getikt waarvan ze de inhoud proberen te slijten. De kinderen roepen niet, ze vragen of je wilt kopen: persoonlijk en heel direct waarbij ze op de bank voor of naast je kruipen en je strak in de ogen kijken. Chicles? (kauwgom?) of: Chocolate? Cinco pesos.

Chocolate senor? Cinco pesos
(Esteli, Esteli, ESTELI!)
Chicles senor? Cinco pesos
(Esteli, Esteli, ESTELI!)
Hey man, quieres comprar chocolate?
(Esteli, Esteli, ESTELI!)
Queeeeesiiiiiilloooos! Queeeeesiiiiiilloooos! (die had de bus nog niet verlaten)
Agua, gaseosas! Agua, Agua! Gaseosas! (de water- en frisdrankverkoper die inmiddels is ingestapt.)

Dan een muzikaal intermezzo verzorgd door een blinde man en zijn gitaar. Hij zingt over Jezus en hoeveel hij van Jezus houdt en hoeveel Jezus van hem houdt en hoeveel Jezus van ons allemaal houdt. Ondertussen gaat de verkoop door.

Amo Cristo, Cristo me ama!
Amo Cristo, Cristo te ama!
Papitasyucitasgalletas! Agua, Agua! Gaseosas! (nieuwe verkopers, vergelijkbare waar)
Amo Cristo, Cristo me ama!
(Esteli, Esteli, ESTELI!)

Dan een bedelaar, een oude man met een stok die door de bus schuifelt. Hij prevelt, bijna onhoorbaar: 'peso, peso, por favor un peso'. Het lijkt een eeuwigheid te duren voor hij naar achter en terug is geschuifeld, een handvol peso's minder arm. Zijn korte dankwoord bij de deur verdrinkt in een diep, luid 'Taaaaamaaaaales!'

Buschauffeurs in Midden-Amerika zijn meestal zelfstandig ondernemer, dus doen ze wat ze willen met hun schoolbus. Ze spuiten hem zo bont als een kermiswagen en plakken er leuzen op. Meestal religieus: 'Jesus es el camino' (Jezus is de weg). Soms iets meer wereldlijk van aard: 'Fast & Forious' (sic).

Deze chauffeur heeft twaalf speakers van het merk Pioneer gemonteerd tegen het stalen plafond en een Sony televisie voorin om videoclips op te tonen. Tegelijk met het aanslaan van de zware dieselmotor, schettert er snoeiharde bachata door de bus. Ik zoek naar mijn oordopjes om mijn trommelvliezen te beschermen. En ook omdat bachata voor Westerse oren moeilijk te verteren is. De schrijver van mijn reisgids omschrijft het als 'een muzieksoort met het ritme van een driebenig paard'.

Vlak voordat ik de wereld buitensluit, hoor ik nog de ayudante roepen, nu bijna hysterisch: Esteli, Esteli, ESTELI!

ESTELI, ESTELI, ESTELI, ESTELI!!!

Dan zijn we weg.


dinsdag 6 mei 2014

Uniform

Er zijn twee types toeristen die ik hier telkens weer tegenkom. De één is jong, de ander oud. Je herkent ze steevast aan hun kleding. 

Het uniform van de jonge toerist is een mouwloos hemd, maar – en dit is belangrijk – niet zomaar een mouwloos hemd. Het moet een bepaald soort flodderig hemd zijn, dat van de zijkant, onder de oksel, flink open is. Zodoende verschilt dit type hemd van het in Vlaanderen populaire marcelleke, dat juist goed moet passen en strak zit. Onder het flodderhemd draagt hij een korte broek, een echte korte broek: geen driekwartsbroek, geen beachshort tot op de knieën , maar een korte broek zoals we die als jongetjes droegen. En slippers natuurlijk. Altijd zo, ongeacht de plek – strand of stad –, ongeacht het uur of de temperatuur en ongeacht de mores van de lokale bevolking die je 's avonds in een restaurant nooit kort gebroekt of mouwloos zal zien.

De insteek van dit uniform-voor-het-reizende-jongmens anno 2014 lijkt te zijn: zo naakt als de zedenwetten het toelaten. Met ontbloot bovenlijf kom je het café niet binnen, maar een floddershirt mag; ook al is het zo open dat er af en toe een harige mannentepel in beeld verschijnt. Het uniform lijkt een weigering de strand-look af te leggen, ondanks dat het dichtstbijzijnde strand 400 kilometer verderop is. Het wordt exact zo gedragen door de dames, al verbergen zij hun tepels in een bh – die dus wel prominent zichtbaar is, hetgeen nogal goedkoop overkomt. Het mouwloos-hemd-uniform is populair onder zongebruinde jongens en meisjes. Vooral onder zij die surfen, maar dat is geen vereiste. De mannen zijn baardig en hebben een wat verwilderde haardos en zitten goed in de schouder.

Het tweede toeristen-uniform deelt de korte broek met het eerste, maar daarmee houdt de vergelijking op. Dit is de outfit van de Amerikaanse gepensioneerde toerist die een georganiseerde ouderenreis doet en met een touringcar van bezienswaardigheid naar bezienswaardigheid wordt gereden. Zijn korte broek is kaki- of zandkleurig. Daarboven draagt hij een polo die – en dit is belangrijk – strak in de korte broek is gestopt. Het geheel wordt bijeengehouden door een nette leren riem, zo een die je op een pantalon draagt. Nu hebben alle gepensioneerde Amerikaanse mannen een buik of buikje, dus moeten ze beslissen of ze de riem op of onder hun buik dragen. Op de buik heeft als voordeel dat je de kaki-broek lekker vast kan snoeren, maar als nadeel dat je eruit ziet als een wandelend whiskyvat; eronder toont beter, maar schijnt het gevaar van afzakkende kaki-shorts met zich mee te dragen. Het uniform is niet compleet zonder witte sokken – hoog opgetrokken – in sandalen en iets om het hoofd mee te bedekken: een strandhoed, een Panama-hoed, een baseball-cap. De Amerikaan uit de V.S. zal zich nooit blootshoofds buiten wagen in de Latijns-Amerikaanse zon.

Het polo-en-witte-sokken-uniform is volgens mij het product van de macht der gewoonte. Als ik naar de buikige, kromme Amerikaanse grijsaards kijk en de klok veertig jaar terugdraai dan zie ik een sportieve jongeman in een sportieve polo, glad geschoren, sterke kaak, net kapsel met een zijscheiding en een wit gebit en goed in de schouder. Lid van de studenten-fraterniteit, aanvoerder van het football-team. Hij draagt zijn polo strak in zijn broek, maar wie jong en fit is en een platte buik heeft, komt daarmee weg, zeker als je in de jaren '60 leeft en een conservatieve, rijke Amerikaan bent.

Ik heb niks tegen baardige surfers in een mouwloze flodderhemden of Amerikaanse oudjes met witte sokken in sandalen en kreukloze polo's in kaki-shorts. Ik word kriebelig van groepen flodderhemden en groepen polo's. Het kuddegedrag. Er zijn hostels waar je zou denken dat er een verbod op mouwen is afgevaardigd, zoveel flodderhemden zie je. Als ik in een café of restaurant een groep van zes, zeven, acht jongemannen zie die allemaal, zonder uitzondering, een mouwloos flodderig shirt dragen dan word ik overvallen door een groot moedeloos gevoel. Dan wil ik ze aanspreken en vragen wat er in hen omgaat. Dan wil ik begrijpen, omdat begrip irritatie verzacht. Dan wil vragen of echt niemand van hen ooit denkt: goh laat ik vandaag iets anders aandoen dan een hemd zonder mouwen. Zijn ze echt zo bang om uit de toon te vallen, om als individu te worden gezien, om er niet bij te horen? Is het werkelijk een goed idee als jonge reizigers die zich vrij en avontuurlijk noemen allemaal hetzelfde aantrekken en het beeld oproepen van een mouwloze, baardige Hitlerjugend? En hetzelfde denk ik als een touringcar zijn lading uitspuwt op een plein voor een kathedraal en alle mannen witte sokken in sandalen dragen en polo's in korte zand- of kaki-kleurige broeken met een nette riem op of onder de welvaartsbuik en een pet of hoed op hun kalende hoofden.

De mouwloze, nonchalante surfer zal zichzelf nooit (willen) herkennen in de nette Amerikaanse gepensioneerde, en vice versa. Toch zijn ze hetzelfde. Uit hun garderobe spreekt een groot conformisme en veel angst om alleen te zijn. 

vrijdag 25 april 2014

Een requiem voor Cahuita

Hij is oud geworden. Het scherp afgelijnde ringbaardje van vroeger is uitgegroeid tot een volle grijze baard. Ook heeft 'Mister Big J.' zijn grote gouden oorring ingeruild voor een bescheiden koperkleurig exemplaar. Hoewel zijn lichaamsomvang nog altijd bij zijn bijnaam past – mogelijk is hij zelfs groter dan toen – is hij minder nadrukkelijk aanwezig, hij oogt kleiner. Er is iets schuchters in zijn houding gekropen, een aarzeling in zijn tred. De man die ik me herinner was trotser, paradeerde als een haan door zijn winkel. Hij draagt een leesbril.

Het is bijna vijf jaar geleden dat ik Cahuita voor de eerste keer aandeed en mijn vuile was, net als nu, binnenbracht bij Mister Big J. Ik schreef: “Op de deur van zijn winkel staat: 'De laatste cowboy van Cahuita.' Het is een 'one-stop-shop'. Bij hem kun je terecht voor een snorkeltour, fietsverhuur, excursies te paard, boekenuitleen, een bezoek aan het indianenreservaat, lezingen over lokale geschiedenis en nog minstens twintig andere diensten. Zijn core business is echter de wasserette. Voor vier dollar wast de laatste cowboy van Cahuita je vuile onderbroeken die je schoon, droog en opgevouwen terugkrijgt in een vuilniszak met je naam erop.”

Het dienstenaanbod is hetzelfde, de locatie een andere. Ik dacht even dat Big J. op zijn paard de horizon tegemoet was gereden, maar de winkel blijkt drie straten verderop te zitten. 'Ja, het vorige pand huurde ik', zegt hij in heerlijk Caribisch Engels. Hij leunt zwaar op zijn balie. 'Dit is mijn eigen pand. Dit stuk land is al jaren van mijn familie, maar er was hier eerst niks. Het was een donkere hoek. Nu is het anders.'

'Anders' is niet goed. Ik was bang een onherkenbaar Cahuita aan te treffen toen de bus uit San Jose het kleine station binnenreed. Er was geen reden om aan te nemen dat Cahuita gevrijwaard zou blijven van het lot van Puerto Viejo, een kleine twintig kilometer zuidelijker, dat door het toerisme volledig is uitgezogen, afgekloven en geperverteerd tot een pseudo-oord waar elke winkel dezelfde kitsch verkoopt.

Mister Big J. knikt bedachtzaam: 'Er is iets meer bijgebouwd, maar het is hier nog goed. Ja, de ziel van de plek is nog hetzelfde.' Ik weet niet of ik zijn optimisme deel. Het straatbeeld is min of meer net zo als op mijn foto's en toch heb ik de neiging om achter elke boom en onder elke steen te kijken of daar het echte Cahuita misschien is. Ik mis iets, het is alsof je moeder je favoriete beer heeft gewassen en nu ruikt hij niet lekker meer.

Om te beginnen wordt er teveel Spaans gesproken. Vijf jaar terug had je geen woord Spaans nodig in Cahuita. 'Meer Spaans, ja', beaamt Big J. 'Meer zaken zijn nu in handen van latino's. Spaans wordt de norm. Mijn ouders kwamen uit Jamaica, die vonden het belangrijk dat wij Engels bleven spreken in dit land. Mijn oudere broer ging naar een Engelse school, daar betaalden ze voor. Toen ik aan de beurt was, ging de Engelse school dicht. Ik heb altijd thuis Engelse les gehad, van mijn moeder.'

En waar zijn de rasta's? Waarom zie ik geen rasta's meer op straat? 'Rasta is uit, man. De jonge mensen willen geen rasta meer zijn. Ze willen mooie kleren en internettoegang en vlees eten. Alle rasta's die we hier hebben zijn oud.'

Het jongmens trekt weg. Er is geen opvolging. Dus worden restaurants, hotels en bars verkocht aan Amerikanen en Duitsers en Italianen en aan Spaanstalige ondernemers uit de binnenlanden van Costa Rica. Die, voor de vorm, een paar Caribische gerechten op de kaart laten staan, maar helemaal hetzelfde smaakt het niet. Ook omdat het geserveerd wordt door een latina-meisje zonder Jamaicaanse tongval.

Zelfs Miss Edith, het meest vermaarde Caribische restaurant van Cahuita, heeft een knieval gemaakt; op de kaart staat naast de Jerk-chicken nu een selectie 'internationale gerechten'. En ook Miss Edith is grijs. Dat was ze al, maar nu is ze nog grijzer. Lang kan het niet meer duren.

En Coco's bar heeft een lik verf gekregen en heeft tafeltjes met parasols buiten staan. Er loopt een zure manager rond, een Italiaanse kenau, die de zwarte bediening in het gareel houdt. Ze serveren er nu ook eten. Dezelfde naam, dezelfde plek, hetzelfde uiterlijk, maar al met al een andere bar dan ik me herinner. Coco's was na een bepaald uur ronduit vuig. Het zat er vol met 'mannetjes' die een beetje drugs dealden, een beetje pooier speelden en een fooi vroegen als ze je sigaret aan staken. Negers van lager allooi die niet binnen mochten, staken hun hoofd door het raam en staarden naar je met bloeddoorlopen ogen. Niet het soort bar waar je je portemonnee op tafel zou laten liggen. Maar de sfeer was verslavend, de muziek geweldig. De barman draaide simpelweg waar hij zelf graag naar luisterde, een mix van reggae en varianten op reggae: oud en nieuw, bekend en zeer obscuur. Nu is het moment dat de nieuwe uitbater voor de zoveelste keer 'The Best of Bob Marley' opzet – want hij weet niet beter – niet veraf.

Mister Big J. weigert toe te happen. Hij is van het type dat wars is van pessimisme of mijmeringen over wat ooit was, maar niet meer is. Sombere gedachten kun je beter negeren, want anders wordt je somber. 'Ja, ja, alles verandert', zegt hij met vrolijke verwondering. 'Maar het is nog steeds goed leven hier. Je was is om 5 uur klaar.'

Cahuita was de eerste plek die ik aandeed in Latijns-Amerika toen ik van de boot afstapte. Het is die eerste liefde van wie je hoopt dat het goed met haar gaat. En die niet mag veranderen. 

maandag 14 april 2014

Compassie

Wanneer ik aankom op Nevis en naar mijn hotel wordt gebracht, zie ik mensen wachten bij een bushalte, praten met bekenden, of met een motorzaag het bos ingaan. Hun bestaan is bewezen, pas nu ben ik in staat tot een vorm van compassie wanneer ik over enige jaren zal lezen dat Nevis half is weggevaagd door een orkaan of een tsunami.” (Tommy Wieringa over het Caribisch eiland Nevis in Ik was nooit in Isfahaan)

Op de dag dat ik voor de tweede keer in mijn leven voet zet op Panamese bodem, verdwijnen aan de andere kant van het land twee jonge Nederlandse vrouwen. In diezelfde week, als ik de broeierige straten van Panama-Stad verken, vermoordt bankier Jan Peter Schmittmann zijn vrouw en dochter in een villa in Laren en pleegt daarna zelfmoord.

Ik kende Schmittmann. Zijn bestaan is bewezen. Ik herinner me een lunch voor zakelijke klanten in Rotterdam waar de bankier sprak over de kredietcrisis. Het was de tijd dat ik freelance-tekst maakte voor zijn bank, ik zat met een notitieboek in de zaal. Na afloop schoot ik Schmittmann aan om hem te herinneren aan een afspraak voor een interview later die middag. We werkten aan een eindejaarsboek en ik moest, uit zijn naam, een voorwoord pennen. Toen ik het erf van het congrescentrum afliep op weg naar het station, stopte naast me de Audi van Schmittmann. Zijn chauffeur reed. Ik werd uitgenodigd plaats te nemen op de achterbank. Op weg naar Amsterdam deden we het interview. Dat verliep vlot – Schmittmann praatte altijd rapper dan een Kalasjnikov schiet – en nog voor Leiden waren we klaar. Daarna viel hij naast me in slaap en begon licht te snurken en keek ik ongemakkelijk uit het raampje.

Nooit had ik kunnen vermoeden dat de licht snurkende man later zijn gezin zou dood maken.

Ik kende hem dus – een klein beetje. Desondanks nam ik kennis van Schmittmanns daad en dood als elk ander nieuwsfeit. Niet anders dan oorlog in Syrië of crisis in Oekraïne. Rationeel begrijp je de ernst van de feiten, maar emotioneel ben je dezelfde als daarvoor. Hooguit inspireert het tot overpeinzingen over het leven en de dood an sich en je eigen leven en dood.

Met een hoofd vol vluchtige sterfelijkheidsgedachten arriveer ik in Boquete. De plek waar negen dagen eerder Kris en Lisanne verdwenen. Ik was al eens in Boquete, bijna vijf jaar terug. Het is een vredig dorp, liefelijk bijna, welvarend ook, met veel gepensioneerde Amerikanen in villa's op groene heuvels, lekker eten en een aangenaam mild klimaat. Een plek van natuurschoon, keurige tuinen en beleefde manieren. Er is hier een jazzfestival in februari en een orchideeën-show in april. Als je me zou vragen wat de minst gevaarlijke plek in Midden-Amerika is, zou ik zeggen Boquete.

Toch verdwenen ze hier. De vrolijke bekkies van Kris en Lisanne kijken me aan vanaf posters bij de supermarkt, in het café, de bibliotheek, de bloemenwinkel... 'Se Busca', zeggen de posters: 'gezocht' (of minder letterlijk vertaald: vermist).

Verdwenen ze in de bossen, tijdens een natuurwandeling, of is er sprake van een misdrijf? Met man en macht, honden en helikopters, worden de bossen uitgekamd, maar ik hoor veel twijfel over het nut. De twee schijnen nog gezien te zijn langs de weg toen ze terugkeerden van het Pianista-pad, na drie uur 's middags. De speurtocht in de bossen lijkt gebaseerd op de aanname dat ze toen nog aan een nieuwe wandeling zijn begonnen. Maar, zo zeggen vele stemmen, niemand begint nog aan een wandeling na drie uur. Ook Lisanne en Kris wisten dat het om zes uur al donker wordt in Panama.

De taxichauffeur in David die ochtend keek bezorgd, toen ik hem vroeg me naar de bus naar Boquete te brengen. Of ik wel weet dat er twee jonge toeristes zijn verdwenen? Uiteraard, weet ik dat. De hele wereld weet het. De taxichauffeur blijkt van het bijgelovige type en heeft een theorie over het lot van Kris en Lisanne. Met ernstige blik en op serieuze toon vertelt hij over de duendes in bossen rondom Boquete. Duendes zijn mythologische wezentjes, een soort bosgeesten of trollen. Volgens de taxichauffeur is er geen twijfel mogelijk: ze zijn ten prooi gevallen aan de duendes. Ik zeg: wie weet, en hoop dat de autoriteiten hun tijd niet verdoen met het jagen op bostrollen.

Een dag na aankomst, als de twee vrouwen tien dagen vermist zijn, begin ik zelf aan een wandeling met mijn geliefde. Een korte tocht, over verharde weg, om er in te komen. Het weer weet niet wat het wil. De zon schijnt, maar een harde wind blaast een dunne stuifregen door de vallei: regenbogenweer. Niet ver van de ingang van het Pianista-pad, nu berucht, staat een jonge man langs de weg. Hij spreekt mensen aan en deelt posters uit. Ik weet wat er op de posters staat. Ik heb ook een bang vermoeden wie de man is. Ik herken een Hollander van mijlen ver en dit is een Hollander. 'De broer!', schiet er door m'n hoofd. De broer van één van de twee, die naar Panama is afgereisd, volgens de nieuwsberichten.

Het is de broer. Een jonge sterke vent, een buitentype. Hij spreekt ons aan. Men zegt dat je in gevallen van grote onzekerheid tussen hoop en vrees leeft, maar in het vriendelijke gezicht zie ik alleen maar hoop. En daadkracht. Hier staat een praktisch mens, een man van actie. De vrees wordt door mijn geliefde en mijzelf vertegenwoordigd. Luttele minuten eerder zeiden we tegen elkaar dat het beter zou zijn als de meiden ontvoerd waren in plaats van verdwaald, want dan bestond er nog een kans dat ze leven; tien dagen op de berg, in het bos, dat overleef je niet. Maar dat sentiment herhalen we maar niet.

We zeggen wel dat we uiteraard onze oren en ogen open houden – bij gebrek aan iets beters om te zeggen. Ik vraag of hij en de familie goed op de hoogte worden gehouden. De broer is positief over de inzet van de autoriteiten, de betrokkenheid van de Panamese president Martinelli, over de ambassade die doet wat ze kan, ook al zijn ze maar drie man sterk en over een Nederlandse politieman, gestationeerd in Bogota, die is overgevlogen om te helpen en als liaison te fungeren tussen de familie en de lokale politie: 'Dat is echt wel een goeie'. De broer is een sympathiek mens, realistisch en niet verbitterd, ook nu niet.

Al snel dreigt het gesprek over te gaan tot koetjes en kalfjes. Graag had ik iets nuttigs of betekenisvols gezegd, en beter nog: gedaan. Maar wat kun je doen? Wat kun je doen als toerist op slippers dat niet gedaan kan worden door de gespecialiseerde zoekteams, de honden, de helikopters, de nationale en lokale politie, de burgerwacht, het leger aan vrijwilligers, de speurende indianen, de media, de ambassade, de president van Panama en de privé-detective die is ingehuurd door de Amerikaanse gemeenschap? En wat kan een broer doen behalve rondlopen met een poster – ook al is de hele wereld al op de hoogte – en de moed erin houden?

Ik druk zijn hand en wens hem ontzettend veel succes. Hij wuift ons na en wenst ons een zeer goede reis, op vrolijke, hartelijke toon, ondanks alles. Ik kan wel janken.

zondag 6 april 2014

Het gat in de weg

Van de Pan-American Highway, ook wel de Panamericana of Interamericana genoemd, moet u zich niet teveel voorstellen. Grote delen ervan bestaan uit onopmerkelijke kilometers tweebaansweg met een zanderige berm en slordige lintdorpen erlangs. Soms ligt er een hond op de rijbaan te zonnen. De Panamericana is desondanks beroemd omdat het een ononderbroken weg is over twee continenten die de automobilist kan volgen van Alaska tot Ushaia, de meest zuidelijke stad ter wereld, in Argentinië. Een weg van de bijna-Noordpool tot de bijna-Zuidpool.

Alleen is het niet waar.

Want, zoals een ieder weet die ooit van Zuid- naar Midden-Amerika heeft willen gaan, zit er een gat in de weg. Op de grens van Colombia en Panama bevindt zich niets behalve moerasland en dicht regenwoud: de beruchte Darien Gap.

Ik ben in Colombia en wil naar Panama en moet dus de Darien Gap over zien te geraken. Vier jaar geleden stond ik aan de andere kant, in Panama, maar had geen enkele behoefte om over de Gap te gaan. Vrienden en vriendinnen met bestemming Colombia zag ik gehaast verder reizen, terwijl ik nog een fles bier bestelde in mijn zoveelste nieuwe stamkroeg. Sommigen namen het vliegtuig, anderen waren avontuurlijker en hadden een slaapplaats geboekt op een zeilboot van Colon naar Cartagena. Toen bestonden er, in mijn herinnering, geen andere opties: het was vliegen, varen of nog bier bestellen.

Nu is het anders. De neo-Marxistische guerrilla-groepen die Colombia decennialang in een wurggreep hielden zijn verslagen. De bekendste, de FARC, heeft zich als een gewond dier in de jungle teruggetrokken om te sterven. De FARC is geen schim meer van de terreurbeweging die ooit sterk genoeg was om de snelwegen te kapen en de facto regeerde over grote stukken ruraal Colombia.

Waar guerrilla-groepen zich terugtrekken, daar marcheren toeristen voorwaarts.

Zodoende zit ik met een handvol Westerse rugzakreizigers en een contingent lokalen in een speedboot op weg van Turbo, Colombia naar het dorp Carpurgana aan de Caribische kust. Vandaar kan men een bootje nemen naar de militaire buitenpost Puerto Obaldia in Panama. Een nieuwe route van Colombia naar Panama, die de reisgidsen pas sinds kort durven op te nemen. We gaan weliswaar niet dwars door de Darien Gap – we stuiteren er zo'n beetje langs – maar het is de meest directe weg in 20 jaar.

Begin jaren '90 was het populair onder avonturiers om de Darien Gap te voet over te steken met een lokale gids. Niet iedereen die in Panama de jungle inliep, kwam er aan de Colombiaanse kant weer uit. Vanwege een opflakkering in guerrilla-activiteiten en het bijkomende gevaar van drugssmokkelaars op de paden die geen pottenkijkers wensten, plus de natuurlijke gevaren die inherent zijn aan het regenwoud, besloten Panama en Colombia toeristen voortaan te weren.

In Carpurgana miegelt het van de soldaten. Het is een surreëel tafereel om een militair in volle wapenrusting te zien op een Caribisch strand waar toeristen zonnebaden. Hun zwaarheid – laarzen, rugzak, kogelvrij vest, machinegeweer, ammunitiegordel – contrasteert met de lichtheid van zwembroeken met Hawaii-print en minuscule bikini's. Je denkt dat de soldaten elk moment in het zand kunnen wegzakken, terwijl de toeristen zeker licht genoeg zijn om te zweven op de bries. Er gaan geen wegen naar Carpurgana, er zijn geen auto's, alleen magere paarden en gammele karren. Het is een enclave uitgehakt in de jungle van Darien. De soldaten zijn zwaar zodat wij licht kunnen zijn.

Ik blijf een week om licht te zijn.

Colombia heeft sinds 1964 onophoudelijk gewapend conflict gekend binnen zijn landsgrenzen. Daarvoor was het van 1948 tot 1958 open burgeroorlog. In het machtsvacuüm dat volgde schoten de paramilitaire groeperingen als paddenstoelen uit de grond: naast het staatsleger vochten op het hoogtepunt van het conflict tientallen extreem-linkse guerrilla-groepen in wisselende allianties, plus de privélegers van de grote drugskartels, plus paramilitaire-bendes gefinancierd door de rijken, de industriëlen en de grootgrondbezitters van Colombia, in het leven geroepen om “hun eigendommen te beschermen”. Kortom: chaos.

Nu is het 2014 en zitten de restanten van de  FARC en de Colombiaanse regering om tafel in Havana, een akkoord tot ontwapening lijkt aanstaande. Is de Darien Gap, het gat in de weg, weldra een symbool van het verleden? Wie een glazen bol heeft, mag het zeggen. Eerdere plannen om het gat te dichten, liepen op niets uit, vanwege: te duur, en te schadelijk voor het milieu. Panama lijkt gesteld op zijn gesloten grens, met of zonder FARC. Honderd kilometer aan jungle helpen niet alleen om drugs tegen te houden, maar ook illegale immigranten, mond-en-klauw-zeer en gele koorts.

De argwaan van Panama jegens eenieder die langs de kust van de provincie Darien het land binnenkomt, ondervind ik aan den lijve. Het bootje naar Puerto Obaldia was klein en de golven groot. Drijfnat stap ik het strand op – Puerto Obaldia heeft geen steiger die geschikt is voor kleine bootjes – met mijn rugzak in een vuilniszak op mijn schouder. Daar worden we gedirigeerd naar een complex omgeven door muren van zandzakken. De mannen op het binnenplaatsje zijn politie, maar dragen legergroen en zijn overeenkomstig bewapend. Het bevel: alles uitpakken, tot aan de laatste vuile onderbroek. Daarna komt de drugshond snuffelen en dan pas mogen naar de immigratie.

In het houten hok van de 'Migraciones Puerto Obaldia' heeft nog nooit iemand zich gehaast, maar een uur later lopen we met gestempelde paspoorten als overwinnaars naar het vliegveld, waar weldra een propellervliegtuig zal arriveren om ons naar Panama-Stad te brengen.

Na de vlucht en de landing in de metropool en de blinkende witte aankomsthal van luchthaven Albrook zijn we – geografisch, visueel en mentaal – mijlenver van de buitenpost Puerto Obaldia, van Caribische stranden en schommelende motorbootjes en voeten in het water, en van de jungles van Darien. Maar we zijn de Gap nog niet over, meent de douane in Panama-Stad. Kennelijk hebben de uniformen in de hoofdstad weinig vertrouwen in hun collega's in het oerwoud, want onze paspoorten worden afgenomen, de drugshonden komen weer snuffelen en we worden twee uur lang in een wachtkamer opgesloten. Naar de wc mag, onder begeleiding.

Als we eindelijk de luchthaven uitlopen, kijk ik naar de vloot gele taxi's als een marsbewoner. Colombia, in werkelijkheid zo dichtbij, lijkt opeens heel ver weg: onbereikbaar achter honderd kilometer regenwoud en moerassen, een andere wereld achter een groene Berlijnse Muur. 

woensdag 26 maart 2014

Bioscoop in de brousse


Soms wil je geen Inca-ruïne bezoeken. Soms wil je naar de bioscoop. Zoals normale mensen doen. Een half jaar homo turisticus zijn, dat houdt niemand vol.

Het stadje Coca heeft een bioscoop. Dat verbaast me. Coca is een vlek in het achterland, de laatste nederzetting van betekenis voor het Amazone-regenwoud begint. In Coca stoppen de wegen. Wie verder wil, volgt de rivier Napo tot de grens met Peru, of nog verder tot de Napo de Amazone wordt bij de junglestad Iquitos. Coca werd gebouwd in de jaren '60 als nederzetting voor oliewerkers. Tegenwoordig is het ook een springplank voor eco-toeristen, maar langer dan een paar uur blijven ze niet in de zweterige, hete buitenpost die Coca is.

Ik herinner me de enige bioscoop in Granada, de tweede stad van Nicaragua. Granada is groot, historisch, cultureel en toeristisch, maar de bioscoop had die week slechts één film is de aanbieding: de science-fiction prent District 9. Over de projectie lag een roze waas.

De bioscoop in Coca bevindt zich op de bovenste verdieping van een klein winkelcentrum. Het nieuwe winkelcentrum is op de groei gebouwd, want de meeste winkels staan leeg. Er is niemand. De popcorn popt voor Jan Lul. Er zijn twee zalen. Het aanbod films die dag is kwantitatief groot, maar kwalitatief karig. De beste optie lijkt me The Hunger Games 2.

De film begint zodra ik de volledig lege zaal binnenloop. Geen reclame, geen voorfilmpjes. Na twee minuten voel ik nattigheid. De blinkende bordjes met 'Dolby Digital Surround' in gouden letters op de deuren beloofden goed geluid, maar de film klinkt dof en blikkerig. Het beeld is donkerder dan het zou moeten zijn. En ik hoor stemmen, ondanks dat er hier niemand is. Gepraat, meisjesgiechels, zelfs het kraken van popcorn. Ik moet rekening houden met de mogelijkheid dat ik gek aan het worden ben, maar het is waarschijnlijker dat de stemmen in het geluid van de film zitten, en dat betekent dat ik naar een illegale kopie kijk...

De distributie van officiële filmschijfjes in Latijns-Amerika ten zuiden van Mexico is nogal problematisch. Wat de straatverkopers aanbieden zijn allemaal kopieën, wat de marktkraampjes aanbieden zijn allemaal kopieën, wat de winkel op de hoek aanbiedt zijn kopieën. Zelfs helverlichte zaken met blinkende ramen in chique winkelcentra verkopen dikwijls kopieën. Een legale film vinden is hier veel moeilijker dan een illegale film. Maar ongegeneerd een kopie in een bioscoop vertonen, dat is een primeur. Opeens snap ik hoe een stadje van drie man en een paardenkop als Coca een bioscoop kan hebben.

Ik zal het maar toegeven: net als de meeste kinderen van mijn generatie ben ik een downloader. Thuis heb honderden kopiefilms. Wel van uitstekende kwaliteit uiteraard, zonder popcorn-gekraak in het geluid. Dat ik nooit betaal voor een filmschijfje, bezorgt me geenszins een moreel dilemma. Integendeel, ik denk dat het download-tijdperk een zege is voor de film. De studio's rapporteren nog altijd recordwinst na recordwinst, de budgetten voor blockbusters rijzen de pan uit. Er wordt nog altijd zat geld verdient en ik draag daar m'n steentje aan bij, want ik ga zeker twintig keer per jaar naar de bioscoop. Omdat een kaartje 9 euro kost, betaal ik dus een kleine 200 euro per jaar aan contributie voor mijn lidmaatschap van de club van filmliefhebbers, en dat is meer dan voldoende.

Ja, maar de kleine, onafhankelijke arthouse-filmmaker dan? Hoe moet die z'n boterham verdienen met zijn kunst? Hij heeft bij uitstek voordeel van de uitvinding van de download, durf ik te stellen. Woody Allen was nooit een commercieel succes ten tijde van bejubelde films als Annie Hall en Manhattan, maar afgelopen jaar sleepte Blue Jasmine een recordwinst voor Allen binnen. Ik kan het niet hard maken, maar ik denk dat de download de smaak van het publiek verbreed en verfijnd heeft. Omdat elke film ooit gemaakt nu gratis ter beschikking staat, zien we meer dan ooit tevoren. We spreken allemaal vloeiend filmtaal en we kunnen naar hartenlust proeven en testen want we zijn niet langer budgetgebonden of afhankelijk van wat de officiële distributiekanalen en de marketingmachine ons door de strot willen duwen. Ik heb circa 500 films op mijn media-apparaat staan, maar 500 kopieën staan niet gelijk aan 500 nooit aangekochte legale schijfjes, of 500 keer misgelopen inkomsten voor de filmindustrie: dat is een klassieke denkfout. Als ik in de buidel had moeten tasten voor elke film, dan was de omvang van mijn collectie misschien 20 procent van wat hij nu is. Verandering van spijs, doet eten. En gratis spijs, doet nog meer eten.

Toen ik dus in Coca de zaal uitliep na tien minuten om mijn geld terug te vragen, was dat niet uit morele verbolging, maar omdat de kopie zo slecht was, dat ik het geen vijf dollar waard vond. Bovendien was ik nieuwsgierig naar wat er zou gebeuren.

Het meisje aan de popcornbalie begrijpt me maar half als ik praat over een copia no bueno, maar dat kan aan mijn Spaans liggen. Ze zal de manager halen. Ik ga zitten en maak me een voorstelling van het soort man dat open en bloot slechte kopie-films vertoont in zijn bioscoop. Ik stel me een penozefiguur voor, met vettig haar, een stoppelbaard, een gouden ketting en een halfopen hemd. Iemand die eerst een pornobioscoop uitbaatte, maar is doorgegroeid naar films zonder genitaliën in beeld. Zou hij me vragen om vooral niet de politie te bellen? Moet ik dreigen de politie te bellen om mijn geld terug te krijgen?

Het fris geschoren jongmens dat zich presenteert lijkt in het niets op een louche ondernemer. Een vriendelijke handdruk en ik begin weer over een copia no bueno en hij zegt in helder Engels, zonder een spoortje van irritatie of paniek, dat hij weet dat het een kopie is. Dat deze bioscoop altijd kopieën vertoont. Maar dat ze normaal van goede kwaliteit zijn. Deze kopie was dat niet en dat is een kwalijke zaak. Daarom krijg ik zeker mijn geld terug. En, voegt de vriendelijke jongeman met nadruk toe, hij zal een streng woordje wisselen met zijn leverancier, want het is de bedoeling dat die altijd verifieert of de kopie van goede kwaliteit is.

Ik verlaat de bioscoop verbouwereerd door de vanzelfsprekendheid van illegale kopieën in een officieel uitziende bioscoop, met filmposters, een snackbalie, comfortabele roodpluchen zetels en bordjes met 'Dolby Digital Surround' op de deur. Maar dit is Coca, zweterig oliestadje aan de Amazone, halverwege tussen niets en nergens.