En een nakomertje uit Nicaragua. Nog immer in Mexico-stad. Voorbehouden dat de aswolk verdwenen is, zet ik op 27 april weer voet op Europese bodem. Blijf nog even hangen, want ik heb nog twee verhalen in de planning.
Ik ben geen omgekeerde snob. Dat zal ik uitleggen. Veel backpackers achten hun manier van reizen superieur ten opzichte van het 'standaard' toerisme. De backpacker neemt lokale bussen, in plaats van een touringcar. De backpacker boekt zijn tickets en accommodatie zelf, daar heeft hij geen reisbureau voor nodig. Op het vliegveld staat er niemand met een bordje om de backpacker op te halen en naar de shuttle van het all-in resort te begeleiden. De backpacker navigeert zichzelf naar een budgethotel midden in de stad, terwijl de toerist al aan zijn tweede Pina Colada bij het zwembad zit.
De backpacker is er van overtuigd dat zijn reiservaring waardevoller is. En daar ben ik het mee eens, maar ik ben geen omgekeerde snob. Een omgekeerde snob is iemand die, zelfs als hij het zich kan veroorloven, altijd een houten hutje op het strand zonder ventilator en badkamer verkiest boven de luxe van airconditioning en een eigen WC. Een backpacker zou zijn neus ophalen voor een nacht in het Best Western Managua Airport, waar ik verblijf omdat ik een etmaal moet wachten op de vlucht naar Guatemala-stad.
Maar ik hou van dit soort hotels, op zijn tijd. Net zoals ik graag bij ketens als Starbucks, Subway en zelfs – op zijn tijd – McDonalds kom. De omgekeerde snob zou tegenwerpen dat een Best Western hotelcomplex er overal ter wereld hetzelfde uitziet. Hij zou iets zeggen in de trant van: 'Thuis kun je ook in een Best Western slapen, daarvoor hoef je niet naar Nicaragua. Waar is de authenticiteit, de couleur locale?'
De omgekeerde snob wordt fysiek misselijk van westerse luxe, maar god wat ben ik blij met mijn kamer. Eindelijk heb ik weer een warme douche. De laag vuil van Little Corn Island die zich op mijn voeten heeft verzameld, verdwijnt met water en zeep in het afvoerputje. Voor het eerst in maanden zijn mijn voeten weer helemaal schoon. Er zijn zachte, witte handdoeken en kleine flesjes zeep, shampoo en bodylotion (die natuurlijk in de rugzak verdwijnen).
De spiegel in de badkamer is groter dat menig bed waarin ik heb geslapen. Sinds lange tijd hoef ik niet te bukken om mijn gezicht te zien. Ik scheer mijn gezicht en mijn hoofd en voel me heel schoon. Als ik nog haar had dan zou je het horen piepen als je een pluk tussen je vingers nam. Zo schoon ben ik.
Ik lig op bed, drink water uit een flesje met het hotellabel erop, zap een uur lang langs tweehonderd kanalen en schud langzaam de vermoeidheid van de vliegreis af. Dan trek ik een overhemd aan en verlaat de kamer. De laptop blijft aan om films te downloaden. Ik wil zo veel mogelijk uit het draadloze internet halen.
Het Best Western Managua Airport is een een ommuurd complex met één verdieping. De kamers zijn afzonderlijke gebouwtjes aan weerszijden van corridors met roze-bruine stenen en een doorzichtige kunststof overkapping. Het is buiten, maar voelt als binnen. Er zijn perkjes met tropische planten. De namen staan in het Spaans, Engels en Latijn op de bordjes te lezen.
Op weg naar het restaurant kom ik langs de fitnessruimte, de sauna en het zwembad. Ik neem me voor er de volgende ochtend gebruik van te maken en overweeg een massage. Na het eten ga ik op zoek naar de bar. In dit soort hotels fantaseer ik vaak over een ontmoeting met een oudere dame. Misschien is ze een Amerikaanse carrièrevrouw van begin veertig. Intelligent, succesvol en rijk. Na het werk doet ze vier keer per week aan pilates en power-yoga. Ze heeft geen tijd voor een sociaal leven, afgezien van toevallige ontmoetingen met jongere mannen in de bar van een Best Western als ze op zakenreis is. Het gesprek duurt niet langer dan de tijd die nodig is om twee Bourbon Sour te drinken en eindigt met de vraag 'jouw kamer of de mijne'?
Natuurlijk is er niemand in de bar die aan bovenstaande beschrijving voldoet. Een Amerikaanse man leest een boek en een Guatmalteekse handelsreiziger praat met de Nicaraguaanse barman. Dat was het. Ik drink twee vodka-sprite's en wandel terug naar mijn kamer, die heerlijk koel is. Om elf uur val ik als een blok in slaap.
Als het twaalf uur later tijd is om uit te checken voel ik me als herboren. De lobby staat vol met samsonite-koffers op wieltjes. Ik zie er gek uit met mijn rugzak. Net zo min als de backpackers weigeren zich aan deze gladgestreken luxe over te geven, weigeren deze mensen zich op het avonturierspad te begeven. Ik ben in mijn nopjes. Ik waan me een reiziger tussen werelden, generaties, standen, rangen, klassen en culturen; de ultieme reiziger.
woensdag 21 april 2010
woensdag 14 april 2010
Zoek je niche!
Een nakomertje uit Guatemala. Voor de goede orde: inmiddels ben ik veilig aangekomen in Mexico-Stad waar ik van de gastvrijheid geniet van vriend Raimon.
Voor de normale, weldenkende toerist is het niet eenvoudig een plek langs het Lago Atitlan te vinden die bekoord. Atitlan is een omgeving van natuurlijke en sociale extremen. De reiziger arriveert in het stadje Panajachel, waar niemand blijft, en laat zich met een bootje overzetten naar één van de dorpen rondom het meer. Wegen tussen de dorpen zijn er niet, alleen rotsachtige paden.
Ik verken een rustiek gehucht met de naam San Marcos. Het is er aangenamer dan het nabijgelegen San Pedro: het Ibiza van het meer, met clubs en pubs, bier en drugs en heel veel internet-cafés . Alles wat jong, dom en geil is, verblijft er. Niet zo heel lang geleden had ik hier mijn backpack afgedaan, maar nu gruwel ik van het idee.
Het isolement van de verschillende dorpen maakt dat er sprake is van een absurde vorm van vrijwillige, sociale segregatie. Het lievelijke San Marcos blijkt een toevluchtsoord te zijn voor hippies. Het stikt ervan. Ik zie bordjes die zen-yoga en reiki adverteren. En maan-therapie, regressietherapie, finse sauna's, indiase hoofdmassages, astrologie, kabbalah, kristal-therapie, nog vijf soorten yoga, en sessies waarin je je zesde chakra of totemdier (of beide) kan vinden. Al het ziels- en lichaamsgekneip wordt omschreven als 'holistisch': een woord dat tegenwoordig hevig aan erosie onderhevig is en slechts met grote terughoudendheid gebruikt dient te worden. Een westerse peuter jaagt achter een hond aan, op een katoenen luier en een traditionele kralenketting na, is hij naakt.
Ik loop verdwaasd en peinzend in San Marcos rond. Al die zogenaamde individuen, al die unieke geesten, met hun spiritualiteit en innerlijke kracht, kiezen ervoor om tegen elkaar aan te schurken op één vierkante kilometer. Alles is ook 'eco'. Honderden 'wereldverbeteraars' die ervoor kiezen zich te vestigen in een afgelegen negorij, om zich elke dag bevestigd te zien in hun denken door gelijkgestemden. Zo komen waanideeën de wereld in.
Sinds de Maya's rond het Lago Atitlan hun natuurgoden vereerden (en misschien wel eerder) hebben mensen redenen gezien om zich hier te vestigen. In deze woeste omgeving een leven opbouwen is niet eenvoudig en, op het eerste gezicht, geen logische keus. Het adembenemend mooie meer is geheel omsloten door steile bergen en vulkanen en nog altijd slechts bereikbaar door een lange tweebaansweg met eindeloze haarspeldbochten.
Die ochtend is het meer vlak als een spiegel. Vanaf de waterrand schiet het land de hoogte in. Boeren verbouwen hun gewassen onder een hoek van 60 graden. Er is vrijwel geen vlak stukje land te vinden, hooguit in de kleine uitsparingen aan het water waar de Maya-stammen zich oorspronkelijk vestigden. De dorpen dragen nu christelijke namen. De tuk-tuk is populair, want het is geen sinecure om elke dag naar huis te moeten klimmen.
Iemand raadt me Santa Cruz aan. In een dorp als San Marcos, waar iedereen Indiase flodderbroeken met het kruis tot op de knieën draagt, lees ik zijn geestelijke gezondheid af aan zijn Levi's. Ik wacht een klein kwartier op een lift. De polyester schuit ploegt door de golven richting Santa Cruz. We stoppen in Tzununa waar alle lokale vrouwen in hun traditionele paarsrode gewaden uitstappen. De boodschappen zijn bijeengebonden in een even kleurrijke doek die op het hoofd gedragen word. De kapitein van de boot heeft Eminem opstaan.
Onderweg vergapen we ons aan de optrekjes van de ultrarijken, die tegen de heuvels zijn aangebouwd. Soms is de helling zo steil dat de rotswand de achtermuur vormt. Ze doen denken aan een kruising tussen Minas Tirith, de hangende tuinen van Babylon en Barbie's droomhuis. Deze paleizen beslaan meerdere niveaus, beginnend bij een steiger aan de waterrand en dan verder omhoog via met mozaïek versierde plateaus. Het is hier niet mogelijk om alle verblijven onder één dak te vestigen. Het eerste niveau herbergt misschien het zwembad en de bar, daarboven zijn de gastenverblijven of de keuken of het woongedeelte. Maar bovenin na vijf of zes kronkelende stenen trappen, tientallen meters boven het meer, bevindt zich zonder uitzondering het verblijf van de kasteelheer.
De villa's mogen dan verspreid zijn over het meer, dat neemt niet weg dat alles dat rijk en blank is, elkaar net zo goed weet te vinden als de hippies in San Marcos. Men ontmoet elkaar in de sauna, tijdens de pedicure of manicure, in een cocktailbar of bij een vernissage. Dit meer wordt gedeeld door vrouwen die een klein vermogen uitgeven aan professionele ontharing en vrouwen die weigeren hun okselhaar te scheren. Soms is de wereld een farce.
De gemiddelde reiziger in Santa Cruz blijkt inderdaad niet zo stereotype als degene in San Pedro en San Marcos. Er zijn vanzelfsprekend een paar eco-gekken – terwijl elders in de wereld mensen bidden om riolering zodat eindelijk de cholera beteugeld kan worden, vertelt een Amerikaans stel vol trots dat ze een week in een pot hebben gescheten om water te besparen. Maar ze zijn niet overdreven zichtbaar. In mijn hostel verblijven gasten van allerlei pluimage, je kan er een bed op zaal krijgen voor 3 dollar en een kamer met warme douche voor 30 dollar en alles ertussenin.
De tent wordt bestiert door een Brits-Amerikaans stel, maar werd begonnen door een man die zich Sarito noemt. Sarito is nu tachtig en heeft witte haren en dito baard. In het Santa Cruz anno 2010 is hij een beetje een vreemde eend in bijt. Hij is opmerkelijk scherp. Vlak na de Tweede Wereldoorlog was hij kort in Amsterdam. Ook nu nog lepelt hij zonder moeite straatnamen op. 'Ik was een bewonderaar van jullie architect Dudok. Hoe heet dat plaatsje ook al weer, waar hij al die huizen heeft ontworpen?' 'Hilversum'.
Sarito vertelt over zijn omzwervingen door de wereld. En over zijn tijd als beatnik (ik weet als één van de weinige jonkies wie Ginsberg en Kerouac zijn, dus Sarito vertelt naar hartenlust). Na de beatniks was Sarito een gelukkig getrouwde zakenman in Australië. 'Maar dat liep fout, en toen werd ik een hippie.' Iets in deze zin doet mijn nekharen overeind staan. Ik luister naar Sarito's verhalen over ashrams in India en langzaam verdwijnt mijn bewondering voor de man. Het is een meeloper: van de beats, naar de hippies, naar een geïsoleerde kolonie van boomknuffelaars.
Ik bedenk dat het niet de levensovertuigingen zijn die me soms tegenstaan in mensen, maar het kuddegedrag dat er zo vaak mee gepaard gaat. Hippies, beatniks, katholieken, protestanten, ashrams, communisten, scientology-aanhangers, boeddhisten, krakers, Nazi's, het groepje op het schoolplein: ongeacht de dogma's en doctrines, dankt elke kliek in de geschiedenis haar bestaansrecht aan de angst van mensen om alleen te zijn. We zijn allemaal op zoek naar zingeving, naar een structuur van gelijkdenkenden om ons heen en iemand die ons vertelt hoe deze wereld (en de volgende) in elkaar steekt. De homo sapiens houdt niet van chaos. Ik wens Andrew – zoals Sarito echt heet – een goede nachtrust toe.
In de volgende dagen ontdek ik dat niet alleen de westerlingen er een scherp gedefinieerde visie op de samenleving op nahouden. Een religieuze groepering van lokalen dringt in het weekend gewapend en gemaskerd de bars van San Pedro binnen. Ze sturen de toeristen naar huis en dwingen de uitbaters tot sluiten. San Pedro moet worden heroverd in de naam van de heer.
Zoveel bevlogenheid en energie voor wat in essentie slechts ideeën zijn. Ik kan er met mijn hoofd niet altijd bij. De lokalen verdedigen dan nog hun woonplaats (aan de andere kant: als je lang genoeg teruggaat in de geschiedenis, zijn we allemaal immigranten), maar van de westerlingen krijg ik het idee dat ze de echte samenleving allang gedag hebben gezegd. Ze filosoferen zich naar een betere wereld, maar in de praktijk is het niet meer dan één grote cultus van hedonisme. Goed, er worden af en toe acties georganiseerd waarbij zwerfvuil wordt opgeraapt en waarbij duikers rietstengels in het meer planten om de vervuiling tegen te gaan, en dat is prima. Maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de lopende band medewerker in Detroit of de boer op Sumatra meer bijdraagt aan de vooruitgang dan de escapisten van Atitlan.
Maar de hamvraag is natuurlijk of ik zelf – nu zo'n 150 dagen op vakantie – niet onderdeel ben van het probleem?
Voor de normale, weldenkende toerist is het niet eenvoudig een plek langs het Lago Atitlan te vinden die bekoord. Atitlan is een omgeving van natuurlijke en sociale extremen. De reiziger arriveert in het stadje Panajachel, waar niemand blijft, en laat zich met een bootje overzetten naar één van de dorpen rondom het meer. Wegen tussen de dorpen zijn er niet, alleen rotsachtige paden.
Ik verken een rustiek gehucht met de naam San Marcos. Het is er aangenamer dan het nabijgelegen San Pedro: het Ibiza van het meer, met clubs en pubs, bier en drugs en heel veel internet-cafés . Alles wat jong, dom en geil is, verblijft er. Niet zo heel lang geleden had ik hier mijn backpack afgedaan, maar nu gruwel ik van het idee.
Het isolement van de verschillende dorpen maakt dat er sprake is van een absurde vorm van vrijwillige, sociale segregatie. Het lievelijke San Marcos blijkt een toevluchtsoord te zijn voor hippies. Het stikt ervan. Ik zie bordjes die zen-yoga en reiki adverteren. En maan-therapie, regressietherapie, finse sauna's, indiase hoofdmassages, astrologie, kabbalah, kristal-therapie, nog vijf soorten yoga, en sessies waarin je je zesde chakra of totemdier (of beide) kan vinden. Al het ziels- en lichaamsgekneip wordt omschreven als 'holistisch': een woord dat tegenwoordig hevig aan erosie onderhevig is en slechts met grote terughoudendheid gebruikt dient te worden. Een westerse peuter jaagt achter een hond aan, op een katoenen luier en een traditionele kralenketting na, is hij naakt.
Ik loop verdwaasd en peinzend in San Marcos rond. Al die zogenaamde individuen, al die unieke geesten, met hun spiritualiteit en innerlijke kracht, kiezen ervoor om tegen elkaar aan te schurken op één vierkante kilometer. Alles is ook 'eco'. Honderden 'wereldverbeteraars' die ervoor kiezen zich te vestigen in een afgelegen negorij, om zich elke dag bevestigd te zien in hun denken door gelijkgestemden. Zo komen waanideeën de wereld in.
Sinds de Maya's rond het Lago Atitlan hun natuurgoden vereerden (en misschien wel eerder) hebben mensen redenen gezien om zich hier te vestigen. In deze woeste omgeving een leven opbouwen is niet eenvoudig en, op het eerste gezicht, geen logische keus. Het adembenemend mooie meer is geheel omsloten door steile bergen en vulkanen en nog altijd slechts bereikbaar door een lange tweebaansweg met eindeloze haarspeldbochten.
Die ochtend is het meer vlak als een spiegel. Vanaf de waterrand schiet het land de hoogte in. Boeren verbouwen hun gewassen onder een hoek van 60 graden. Er is vrijwel geen vlak stukje land te vinden, hooguit in de kleine uitsparingen aan het water waar de Maya-stammen zich oorspronkelijk vestigden. De dorpen dragen nu christelijke namen. De tuk-tuk is populair, want het is geen sinecure om elke dag naar huis te moeten klimmen.
Iemand raadt me Santa Cruz aan. In een dorp als San Marcos, waar iedereen Indiase flodderbroeken met het kruis tot op de knieën draagt, lees ik zijn geestelijke gezondheid af aan zijn Levi's. Ik wacht een klein kwartier op een lift. De polyester schuit ploegt door de golven richting Santa Cruz. We stoppen in Tzununa waar alle lokale vrouwen in hun traditionele paarsrode gewaden uitstappen. De boodschappen zijn bijeengebonden in een even kleurrijke doek die op het hoofd gedragen word. De kapitein van de boot heeft Eminem opstaan.
Onderweg vergapen we ons aan de optrekjes van de ultrarijken, die tegen de heuvels zijn aangebouwd. Soms is de helling zo steil dat de rotswand de achtermuur vormt. Ze doen denken aan een kruising tussen Minas Tirith, de hangende tuinen van Babylon en Barbie's droomhuis. Deze paleizen beslaan meerdere niveaus, beginnend bij een steiger aan de waterrand en dan verder omhoog via met mozaïek versierde plateaus. Het is hier niet mogelijk om alle verblijven onder één dak te vestigen. Het eerste niveau herbergt misschien het zwembad en de bar, daarboven zijn de gastenverblijven of de keuken of het woongedeelte. Maar bovenin na vijf of zes kronkelende stenen trappen, tientallen meters boven het meer, bevindt zich zonder uitzondering het verblijf van de kasteelheer.
De villa's mogen dan verspreid zijn over het meer, dat neemt niet weg dat alles dat rijk en blank is, elkaar net zo goed weet te vinden als de hippies in San Marcos. Men ontmoet elkaar in de sauna, tijdens de pedicure of manicure, in een cocktailbar of bij een vernissage. Dit meer wordt gedeeld door vrouwen die een klein vermogen uitgeven aan professionele ontharing en vrouwen die weigeren hun okselhaar te scheren. Soms is de wereld een farce.
De gemiddelde reiziger in Santa Cruz blijkt inderdaad niet zo stereotype als degene in San Pedro en San Marcos. Er zijn vanzelfsprekend een paar eco-gekken – terwijl elders in de wereld mensen bidden om riolering zodat eindelijk de cholera beteugeld kan worden, vertelt een Amerikaans stel vol trots dat ze een week in een pot hebben gescheten om water te besparen. Maar ze zijn niet overdreven zichtbaar. In mijn hostel verblijven gasten van allerlei pluimage, je kan er een bed op zaal krijgen voor 3 dollar en een kamer met warme douche voor 30 dollar en alles ertussenin.
De tent wordt bestiert door een Brits-Amerikaans stel, maar werd begonnen door een man die zich Sarito noemt. Sarito is nu tachtig en heeft witte haren en dito baard. In het Santa Cruz anno 2010 is hij een beetje een vreemde eend in bijt. Hij is opmerkelijk scherp. Vlak na de Tweede Wereldoorlog was hij kort in Amsterdam. Ook nu nog lepelt hij zonder moeite straatnamen op. 'Ik was een bewonderaar van jullie architect Dudok. Hoe heet dat plaatsje ook al weer, waar hij al die huizen heeft ontworpen?' 'Hilversum'.
Sarito vertelt over zijn omzwervingen door de wereld. En over zijn tijd als beatnik (ik weet als één van de weinige jonkies wie Ginsberg en Kerouac zijn, dus Sarito vertelt naar hartenlust). Na de beatniks was Sarito een gelukkig getrouwde zakenman in Australië. 'Maar dat liep fout, en toen werd ik een hippie.' Iets in deze zin doet mijn nekharen overeind staan. Ik luister naar Sarito's verhalen over ashrams in India en langzaam verdwijnt mijn bewondering voor de man. Het is een meeloper: van de beats, naar de hippies, naar een geïsoleerde kolonie van boomknuffelaars.
Ik bedenk dat het niet de levensovertuigingen zijn die me soms tegenstaan in mensen, maar het kuddegedrag dat er zo vaak mee gepaard gaat. Hippies, beatniks, katholieken, protestanten, ashrams, communisten, scientology-aanhangers, boeddhisten, krakers, Nazi's, het groepje op het schoolplein: ongeacht de dogma's en doctrines, dankt elke kliek in de geschiedenis haar bestaansrecht aan de angst van mensen om alleen te zijn. We zijn allemaal op zoek naar zingeving, naar een structuur van gelijkdenkenden om ons heen en iemand die ons vertelt hoe deze wereld (en de volgende) in elkaar steekt. De homo sapiens houdt niet van chaos. Ik wens Andrew – zoals Sarito echt heet – een goede nachtrust toe.
In de volgende dagen ontdek ik dat niet alleen de westerlingen er een scherp gedefinieerde visie op de samenleving op nahouden. Een religieuze groepering van lokalen dringt in het weekend gewapend en gemaskerd de bars van San Pedro binnen. Ze sturen de toeristen naar huis en dwingen de uitbaters tot sluiten. San Pedro moet worden heroverd in de naam van de heer.
Zoveel bevlogenheid en energie voor wat in essentie slechts ideeën zijn. Ik kan er met mijn hoofd niet altijd bij. De lokalen verdedigen dan nog hun woonplaats (aan de andere kant: als je lang genoeg teruggaat in de geschiedenis, zijn we allemaal immigranten), maar van de westerlingen krijg ik het idee dat ze de echte samenleving allang gedag hebben gezegd. Ze filosoferen zich naar een betere wereld, maar in de praktijk is het niet meer dan één grote cultus van hedonisme. Goed, er worden af en toe acties georganiseerd waarbij zwerfvuil wordt opgeraapt en waarbij duikers rietstengels in het meer planten om de vervuiling tegen te gaan, en dat is prima. Maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de lopende band medewerker in Detroit of de boer op Sumatra meer bijdraagt aan de vooruitgang dan de escapisten van Atitlan.
Maar de hamvraag is natuurlijk of ik zelf – nu zo'n 150 dagen op vakantie – niet onderdeel ben van het probleem?
zaterdag 10 april 2010
Pasta
Mijn tandpasta is al een paar dagen op, dus gebruik ik die van haar. Morgen verlaat ze Palenque. Ze neemt haar tandpasta mee naar Guatemala. Ik maak een mentale aantekening om bij de drogist langs te gaan. Mijn bus naar Mexico-stad vertrekt in de avond. Haar wekker gaat al om 5 uur 's ochtends. Ze maakt haar toilet en pakt stilletjes de laatste zaken in, waaronder de tandpasta. Ik word half wakker als ze gedag zegt.
Vier uur later is het tijd voor de ochtendplas. Bij het handen wassen, zie ik mijn tandenborstel naast de wasbak. Op de blauw-witte haren prijkt een klodder roze tandpasta.
Vier uur later is het tijd voor de ochtendplas. Bij het handen wassen, zie ik mijn tandenborstel naast de wasbak. Op de blauw-witte haren prijkt een klodder roze tandpasta.
vrijdag 19 maart 2010
Sjieke dief
Na vijf maanden Midden-Amerika ben ik niet beroofd, bestolen, overvallen, opgelicht, verkracht of vermoord. Zelfs mijn zakken zijn – voor zover ik weet – niet gerold. Ik ben gevrijwaard gebleven van alle criminaliteit waar dit deel van dit wereld – deels onterecht – bekend om staat. Tot vorige week.
Ik verliet de betonnen jungle van Guatemala-stad direct na aankomst op het vliegveld. De taxirit naar Antigua, de vroegere koloniale hoofdstad, duurde korter dan verwacht en zodoende heb ik bij aankomst geen idee waar ik wil verblijven.
Ik laat me afzetten in het Parque Central, dat omgeven is door oude regeringsgebouwen en een kathedraal. In de namiddagzon maak ik het me gemakkelijk op een bankje en haal de Lonely Planet tevoorschijn. Op de achtergrond klatert de fontein, die bestaat uit sculpturen van naakte vrouwen. Ze houden hun handen voor de borsten. Tussen hun vingers door spuit water. Zakenmannen en studenten gebruiken hun laptop (in Guatemala wordt de was nog met de hand gedaan, maar draadloos internet is overal). Schoolkinderen kopen mierzoete versnaperingen. Toeristen maken foto's. Mijn natuurlijke argwaan zakt tot een nulpunt.
Twee mannen van een jaar of vijftig stappen op me af. Ze dragen beiden een blauw overhemd met het logo van een reisbureau. Om hun nek hangt identificatie met foto. Hun grijzende haar is strak naar achteren gekamd. Ze zien er gesoigneerd uit. De vraag: heb ik interesse om morgen Pacaya, een actieve vulkaan te beklimmen. De prijs is twintig dollar. Ik dien warme kleren, water, iets te eten en wat kleingeld mee te nemen, zodat ik een stok kan kopen bij één van de kinderen aan de voet van berg. Dat maakt het klimmen een stuk makkelijker. We hebben een geanimeerd gesprek in het Spaans, maar wanneer ik vastloop schakelen de heren moeiteloos over in het Engels. Ik betaal twintig dollar en krijg een reçu.
De volgende dag sta ik om twee uur op de afgesproken plek. Jullie voelen hem al aankomen: geen bus, geen gesoigneerde welbespraakte gids te zien. Ik loop naar het kantoor van de touroperator en vraag of de excursie van twee uur al vertrokken is. 'Ja, je bent te laat, waarom stond je niet hier om twee uur?' 'Omdat jullie me vertelden dat de tour vanaf café Condessa vertrok!', zeg ik. Ik laat mijn ontvangstbewijs zien. 'Sorry jongen, maar je bent opgelicht.'
Goed het is maar twintig dollar, daar gaan we niet dramatisch over doen. Nauwelijks een stukje waard. Ik haal het aan om wat er daarna gebeurde. De eigenaar belt direct met het hoofd van Iquat, de plaatselijke VVV. Het is een geagiteerd gesprek en ik begrijp dat hij eist dat er eindelijk wat gedaan wordt aan de oplichters. 'Als je morgen langs gaat bij Iquat krijg je je twintig dollar terug', zegt hij nadat hij heeft opgehangen. 'En ik bel nu de chauffeur van de bus op en zeg dat hij omkeert. Dan mag je gratis mee.'
Ook dat is Guatemala.
Ik verliet de betonnen jungle van Guatemala-stad direct na aankomst op het vliegveld. De taxirit naar Antigua, de vroegere koloniale hoofdstad, duurde korter dan verwacht en zodoende heb ik bij aankomst geen idee waar ik wil verblijven.
Ik laat me afzetten in het Parque Central, dat omgeven is door oude regeringsgebouwen en een kathedraal. In de namiddagzon maak ik het me gemakkelijk op een bankje en haal de Lonely Planet tevoorschijn. Op de achtergrond klatert de fontein, die bestaat uit sculpturen van naakte vrouwen. Ze houden hun handen voor de borsten. Tussen hun vingers door spuit water. Zakenmannen en studenten gebruiken hun laptop (in Guatemala wordt de was nog met de hand gedaan, maar draadloos internet is overal). Schoolkinderen kopen mierzoete versnaperingen. Toeristen maken foto's. Mijn natuurlijke argwaan zakt tot een nulpunt.
Twee mannen van een jaar of vijftig stappen op me af. Ze dragen beiden een blauw overhemd met het logo van een reisbureau. Om hun nek hangt identificatie met foto. Hun grijzende haar is strak naar achteren gekamd. Ze zien er gesoigneerd uit. De vraag: heb ik interesse om morgen Pacaya, een actieve vulkaan te beklimmen. De prijs is twintig dollar. Ik dien warme kleren, water, iets te eten en wat kleingeld mee te nemen, zodat ik een stok kan kopen bij één van de kinderen aan de voet van berg. Dat maakt het klimmen een stuk makkelijker. We hebben een geanimeerd gesprek in het Spaans, maar wanneer ik vastloop schakelen de heren moeiteloos over in het Engels. Ik betaal twintig dollar en krijg een reçu.
De volgende dag sta ik om twee uur op de afgesproken plek. Jullie voelen hem al aankomen: geen bus, geen gesoigneerde welbespraakte gids te zien. Ik loop naar het kantoor van de touroperator en vraag of de excursie van twee uur al vertrokken is. 'Ja, je bent te laat, waarom stond je niet hier om twee uur?' 'Omdat jullie me vertelden dat de tour vanaf café Condessa vertrok!', zeg ik. Ik laat mijn ontvangstbewijs zien. 'Sorry jongen, maar je bent opgelicht.'
Goed het is maar twintig dollar, daar gaan we niet dramatisch over doen. Nauwelijks een stukje waard. Ik haal het aan om wat er daarna gebeurde. De eigenaar belt direct met het hoofd van Iquat, de plaatselijke VVV. Het is een geagiteerd gesprek en ik begrijp dat hij eist dat er eindelijk wat gedaan wordt aan de oplichters. 'Als je morgen langs gaat bij Iquat krijg je je twintig dollar terug', zegt hij nadat hij heeft opgehangen. 'En ik bel nu de chauffeur van de bus op en zeg dat hij omkeert. Dan mag je gratis mee.'
Ook dat is Guatemala.
zaterdag 13 maart 2010
Tabula rasa
Het is lekker om weer onderweg te zijn. En om al m'n bezittingen weer op de rug te dragen geeft een opgeruimd gevoel. Mijn hotelkamer zag er de laatste tijd uit alsof er een bom was ontploft.
Ik kijk ernaar uit om mezelf opnieuw te kunnen uitvinden op een andere plek. Het grootste genot van reizen is los te zijn van alle sociale banden. Daar waar niemand je kent, kun je zijn wie je wilt zijn. Je hebt zo veel of zo weinig verleden als je maar wenst.
Op Little Corn Island bleef ik te lang en werd ik op een dag wakker als een onderdeel van een sociaal netwerk. Mensen dachten me te kennen en ik dacht hen te kennen. Ik had een mening over hen en zij hadden een mening over mij.
Zodra deze eerste beeldvorming heeft plaatsgevonden valt hij slechts met pijn, moeite en tijd aan te passen. Misschien heb je dingen gezegd waar je spijt van hebt, misschien waren er momenten waar je het naliet iets te zeggen. Hoe dan ook: je hebt ankers uitgegooid. Een volgende interactie nuanceert het beeld hooguit. Door nuance op nuance te stapelen, leren homo sapiens elkaar stukje bij beetje kennen.
Maar dat is een inspanning die doorgaans bewaard wordt voor de echte wereld en waar de reizende escapist weinig geduld voor heeft. Het idee om opnieuw te kunnen beginnen in een omgeving vol vreemden maakt me ongeduldig en gretig.
Of ik doe het omgekeerde en vlieg eerst een tijdje onder de radar. Wekenlang met niemand praten is namelijk ook een privilege dat exclusief aan de reiziger toevalt.
Ik kijk ernaar uit om mezelf opnieuw te kunnen uitvinden op een andere plek. Het grootste genot van reizen is los te zijn van alle sociale banden. Daar waar niemand je kent, kun je zijn wie je wilt zijn. Je hebt zo veel of zo weinig verleden als je maar wenst.
Op Little Corn Island bleef ik te lang en werd ik op een dag wakker als een onderdeel van een sociaal netwerk. Mensen dachten me te kennen en ik dacht hen te kennen. Ik had een mening over hen en zij hadden een mening over mij.
Zodra deze eerste beeldvorming heeft plaatsgevonden valt hij slechts met pijn, moeite en tijd aan te passen. Misschien heb je dingen gezegd waar je spijt van hebt, misschien waren er momenten waar je het naliet iets te zeggen. Hoe dan ook: je hebt ankers uitgegooid. Een volgende interactie nuanceert het beeld hooguit. Door nuance op nuance te stapelen, leren homo sapiens elkaar stukje bij beetje kennen.
Maar dat is een inspanning die doorgaans bewaard wordt voor de echte wereld en waar de reizende escapist weinig geduld voor heeft. Het idee om opnieuw te kunnen beginnen in een omgeving vol vreemden maakt me ongeduldig en gretig.
Of ik doe het omgekeerde en vlieg eerst een tijdje onder de radar. Wekenlang met niemand praten is namelijk ook een privilege dat exclusief aan de reiziger toevalt.
vrijdag 5 maart 2010
Eilandkoorts
Krijg toch allemaal de kolere, val voor mijn part allemaal dood!
Eerlijk waar, niemand geeft ene bal om jullie zweterige eilandje. Ja meneer de duikinstucteur, je hoort het goed. Ik ben het zat om elke avond de verhalen over je veroveringen aan te moeten horen. Je bezit de emotionele reikwijdte van een fruitvlieg. In de echte wereld ben je geen stuiver waard, daarom leef je hier. Maar ik zal het nooit in je gezicht zeggen. Want daar is dit incestueuze eiland te klein voor. Mensen die in een vat buskruit leven, kunnen niet met vuur spelen, dus behandelt iedereen elkaar met fluwelen handschoenen en word de spanning elke dag een beetje groter. Dus roddelen we als een stel oude wijven. Om maar een uitlaatklep te hebben. Nieuws en gerucht gaan als een sprintend vuurtje in de rondte. Nou, ik vertel vanaf nu dus mooi niemand meer iets.
En altijd weer die overspannen paringsdans rond dat kampvuur. Ja Patrick, we weten dat je voorleest op het schooltje hier. Je bent grotere kindervriend dan Sinterklaas. Maar dat domme Deense wicht, krijg je toch wel het bed in, dus laat het toneelstuk maar achterwege. Kijk, daar loopt zo'n smerig lokaaltje. Pak hem maar op, aai hem over de bol, praat halfbakken-Creools tegen hem. Hup, op de schoot van de Deense, dat negertje. Hij is om op te vreten met z'n grote bruine ogen. 'Oh, ik wil hem mee naar huis nemen', zegt ze. Goed gedaan jongen, je hebt de eierstokken doen rammelen, ik hoor de verhalen morgenochtend wel weer.
En jou ben ik ook zat, Lili. Van je onvermogen om dit eiland te zien voor wat het is, word ik horendol. Altijd positief en vrolijk, altijd het beste in de mens willen zien; het zijn eigenschappen die geroemd worden, maar er komt een moment dat je hardhandig wakker wordt geschud. Als je wereldbeeld uit elkaar spat, wil je me dan even bellen om te zeggen dat ik toch gelijk had?
Maar jij kan ook de kolere krijgen, Jorden Tiebout. Jij en je pokkehumeur. Op een andere dag was alles van je afgegleden als water van een eend. Onbenoembare frustraties knagen aan je. Ze laten je zelfvertrouwen wegkwijnen en dat compenseer je met arrogantie. Je weet dit al langer, maar hebt er nog altijd geen remedie voor gevonden. Je ergert je de laatste tijd aan je woorden: degene op papier en degene die uit je mond komen. Je hebt moeite mensen te laten luisteren, je maakt ze niet meer aan het lachen. Ze zien je niet meer. Het voelt alsof je vocabulaire krimpt. Je probeert het te forceren, maar dat heeft een averechts effect. Al het kwikzilver is gestold. De magie van eerder, je kunt er niet meer bij. Je bent een stamelende peuter. Je wilt schreeuwen en schoppen en je voelt je verder dan ooit verwijderd van de persoon die je wilt zijn. Je bent bang dat je het niet meer terug zal kunnen vinden. De ratio zegt dat het goed komt (dat kan toch niet anders?), maar het hart is angstig.
En nu dames en heren goedenacht. Deze jongen zegt vaarwel. Hij huilt zich liever in slaap, dan nog meer van jullie gezemel aan toe moeten horen. Geniet nog van het kampvuur. Er is er pas over twee dagen weer één. Wie heeft m'n fles rum gejat? Afblijven, niet van jou.
Ik kom laat uit bed. Te laat om de frisheid van de Caribische ochtend nog te kunnen proeven. Ongeschoren, katerig en met de galsmaak nog in m'n mond loop ik door het dorp; het shirt halfopen en de mondhoeken naar beneden. Langdurig alcoholgebruik maakt me paranoïde. De wereld heeft het slechtste met me voor. M'n zenuwen zijn op. Ik besluit de volgende dag nog te vertrekken.
Een Amerikaanse familie komt me tegemoet. Vader en moeder dragen witte sokken in hun slippers. Zoonlief draagt een lang shirt van synthetische stof van de Chicago Bulls. Geen verheffend beeld. Maar de dochter van zestien staart naar me en als ik haar blik vang, bloost ze en kijkt naar de grond. Ik loop verder met een grijns op je gezicht. Voor wie meisjes van zestien kan laten blozen, is het nog niet te laat. Geluk zit net zo goed in een klein hoekje.
(Dat neemt niet weg dat het de hoogste tijd is dat ik mijn biezen pak.)
Eerlijk waar, niemand geeft ene bal om jullie zweterige eilandje. Ja meneer de duikinstucteur, je hoort het goed. Ik ben het zat om elke avond de verhalen over je veroveringen aan te moeten horen. Je bezit de emotionele reikwijdte van een fruitvlieg. In de echte wereld ben je geen stuiver waard, daarom leef je hier. Maar ik zal het nooit in je gezicht zeggen. Want daar is dit incestueuze eiland te klein voor. Mensen die in een vat buskruit leven, kunnen niet met vuur spelen, dus behandelt iedereen elkaar met fluwelen handschoenen en word de spanning elke dag een beetje groter. Dus roddelen we als een stel oude wijven. Om maar een uitlaatklep te hebben. Nieuws en gerucht gaan als een sprintend vuurtje in de rondte. Nou, ik vertel vanaf nu dus mooi niemand meer iets.
En altijd weer die overspannen paringsdans rond dat kampvuur. Ja Patrick, we weten dat je voorleest op het schooltje hier. Je bent grotere kindervriend dan Sinterklaas. Maar dat domme Deense wicht, krijg je toch wel het bed in, dus laat het toneelstuk maar achterwege. Kijk, daar loopt zo'n smerig lokaaltje. Pak hem maar op, aai hem over de bol, praat halfbakken-Creools tegen hem. Hup, op de schoot van de Deense, dat negertje. Hij is om op te vreten met z'n grote bruine ogen. 'Oh, ik wil hem mee naar huis nemen', zegt ze. Goed gedaan jongen, je hebt de eierstokken doen rammelen, ik hoor de verhalen morgenochtend wel weer.
En jou ben ik ook zat, Lili. Van je onvermogen om dit eiland te zien voor wat het is, word ik horendol. Altijd positief en vrolijk, altijd het beste in de mens willen zien; het zijn eigenschappen die geroemd worden, maar er komt een moment dat je hardhandig wakker wordt geschud. Als je wereldbeeld uit elkaar spat, wil je me dan even bellen om te zeggen dat ik toch gelijk had?
Maar jij kan ook de kolere krijgen, Jorden Tiebout. Jij en je pokkehumeur. Op een andere dag was alles van je afgegleden als water van een eend. Onbenoembare frustraties knagen aan je. Ze laten je zelfvertrouwen wegkwijnen en dat compenseer je met arrogantie. Je weet dit al langer, maar hebt er nog altijd geen remedie voor gevonden. Je ergert je de laatste tijd aan je woorden: degene op papier en degene die uit je mond komen. Je hebt moeite mensen te laten luisteren, je maakt ze niet meer aan het lachen. Ze zien je niet meer. Het voelt alsof je vocabulaire krimpt. Je probeert het te forceren, maar dat heeft een averechts effect. Al het kwikzilver is gestold. De magie van eerder, je kunt er niet meer bij. Je bent een stamelende peuter. Je wilt schreeuwen en schoppen en je voelt je verder dan ooit verwijderd van de persoon die je wilt zijn. Je bent bang dat je het niet meer terug zal kunnen vinden. De ratio zegt dat het goed komt (dat kan toch niet anders?), maar het hart is angstig.
En nu dames en heren goedenacht. Deze jongen zegt vaarwel. Hij huilt zich liever in slaap, dan nog meer van jullie gezemel aan toe moeten horen. Geniet nog van het kampvuur. Er is er pas over twee dagen weer één. Wie heeft m'n fles rum gejat? Afblijven, niet van jou.
Ik kom laat uit bed. Te laat om de frisheid van de Caribische ochtend nog te kunnen proeven. Ongeschoren, katerig en met de galsmaak nog in m'n mond loop ik door het dorp; het shirt halfopen en de mondhoeken naar beneden. Langdurig alcoholgebruik maakt me paranoïde. De wereld heeft het slechtste met me voor. M'n zenuwen zijn op. Ik besluit de volgende dag nog te vertrekken.
Een Amerikaanse familie komt me tegemoet. Vader en moeder dragen witte sokken in hun slippers. Zoonlief draagt een lang shirt van synthetische stof van de Chicago Bulls. Geen verheffend beeld. Maar de dochter van zestien staart naar me en als ik haar blik vang, bloost ze en kijkt naar de grond. Ik loop verder met een grijns op je gezicht. Voor wie meisjes van zestien kan laten blozen, is het nog niet te laat. Geluk zit net zo goed in een klein hoekje.
(Dat neemt niet weg dat het de hoogste tijd is dat ik mijn biezen pak.)
donderdag 25 februari 2010
Witte kreeft
William Faulkner zei over Los Angeles 'dat je er kan rotten zonder het te voelen.' In het klein geldt dat ook voor het altijd zonnige Little Corn Island. Het rottingsproces van sommigen wordt bespoedigd door de werkelijk onvoorstelbare hoeveelheden cocaïne die hier verkrijgbaar zijn. De lokale bevolking noemt de drug 'witte kreeft', want 'het komt uit de zee en het is geld waard'.
Dat de coke hier uit de zee komt moet ik misschien even uitleggen. Little Corn ligt op de smokkelroute van Colombia naar de V.S. De Colombianen zijn niet te beroerd om ook dit eiland als afzetmarkt mee te nemen. Maar dat is nog niet de echte witte kreeft. In Little Corn Island vinden de smokkelaars een veilige haven als het water ze te heet onder de boot wordt. 'Als je alle locals opeens in één richting ziet rennen, dan weet je dat er een drugsboot gestrand is', zegt duikinstructeur Adam – zelf enthousiast gebruiker. 'De Colombianen vluchten het oerwoud in en de lokalen halen ondertussen de boot leeg volgens een systeem van pakken wat je pakken kan.' Een klein deel van de buit wordt achtergehouden, de rest verkoopt men terug voor een fractie van de marktwaarde: een koopje voor de Colombianen – die hun coke alsnog in de V.S. kunnen afzetten –, maar een fortuin voor de gemiddelde bewoner van Little Corn Island. En zo is iedereen blij.
Men zegt dat een ieder die hier een mooi huis bezit – dat wil zeggen: een huis dat meer is dan houten planken en een dak van golfplaat –, dat aan drugsgeld te danken heeft. Ik weet niet of het waar is. Het eiland, zo heb ik gemerkt, heeft een talent voor het fabriceren van bakerpraatjes. Maar het staat buiten kijf dat het vinden van een kilo coke in de ogen van veel eilanders een snelweg naar een leven van weelde is.
'Ik heb gisteren mijn buurman ontmoet', vertelt Charlie, de nieuwe manager van Casa Iguana – zelf een recreatief gebruiker. 'Zijn vrouw schudde mijn hand en stelde zich voor als Shirley. Hij schudde mijn hand en zei “ik vond ooit veel coke, maar ik werd gepakt”'. Kennelijk is Charlie's buurman nog zo gefrustreerd over de rijkdom die hem door de vingers is geglipt, dat hij meent zich te moeten voorstellen als 'de man die ooit veel coke vond'.
Daar droomt Dario ook over. Hij is eenentwintig, draagt T-shirts in de kleuren van de Jamaicaanse vlag en is helaas niet zo snugger. 'Heb je de helikopter van de kustwacht gezien vandaag, Jorden!', zegt hij als we in het donker over een bospad teruglopen naar het dorp. 'Je moet opletten man! Een helikopter betekent dat er een drugsboot in de buurt is.'
Dario is ook een tikje lui en is begonnen met dealen om de huur te betalen. 'Kijk dit eens!' Hij haalt een plastic zakje met zo'n twintig bolletjes coke tevoorschijn. 'Het beste spul op het eiland! Zacht, niet bitter. Niet het soort spul waar je van gaat tandenknarsen.' Hij steekt zijn neus in het zakje, snuift de geur op en staat erop dat ik hetzelfde doe. 'Zo hoort echte coke te ruiken, of niet?' Ik heb geen idee hoe echte coke hoort te ruiken, wat mij betreft kan het net zo goed gemalen pepermunt zijn.
Ik wil Dario niet tegen de kroesharen instrijken en zeg dat het goed ruikt. 'Hier, wil je proeven?' Hij haalt een condoom uit zijn zak en snuift een beetje coke op vanaf het puntje van de verpakking. 'Ik heb geen interesse om je handelswaar te kopen Dario', zeg ik. 'Nee, dat weet ik', zegt hij. 'Alleen proeven.' Ik heb dikke lijnen coke zien verdwijnen in de bevallige neusjes van meisjes van vijftig kilo en besluit dat een mespuntje – zelfs als het spul zo puur is als Dario beweert – me niet nadelig zal beïnvloeden. Ik snuif diep en voel de coke dan m'n keel in druipen. 'Inderdaad, niet bitter Dario', zeg ik.
Voordat we afscheid nemen uit Dario zijn frustratie over zijn geringe succes met de toeristes op eiland. 'Ze weten allemaal dat ik een vriendin heb. Ik ben eenentwintig man, ik moet weten wat er te koop is.' Niet voor de eerste keer probeer ik hem uit te leggen dat het een klein eiland is en dat hij het moet uitmaken met Nicole – een mollige Amerikaanse, met wie ik medelijden heb – als hij per se wil rondneuken. 'Je kunt niet alles tegelijk hebben.' Maar dat is precies wat Dario wil.
Ik vertel het hele verhaal aan Zwitserse Lili. We hebben net fantastische kreeft op van acht dollar en drinken rode wijn op een houten veranda die vanaf een klif uitsteekt boven de zee. Aan één oor heeft ze een kralenketting hangen die reikt tot haar schouder en eindigt in een veer. We zijn vrienden en nu maakt ze zich zorgen. 'Als je maar weg blijft van dat spul', zegt ze dreigend. Ik zeg dat ze zich geen zorgen hoeft te maken. En weet ze trouwens dat Adam, haar duikinstucteur, er bepaald niet vies van is?
Ik vertel Lili over een avond in de Happy Hut, een reggaebar. Ik zit om een verweerde houten tafel met een Nieuw-Zeelandse, buiten bereik van het muziekgeweld. Na enige tijd schuift Adam aan. De Nieuw-Zeelandse vraagt of alle geruchten over de coke waar zijn. Ik laat het aan Adam over om die vraag te beantwoorden. Dan staat hij plotseling op en verdwijnt. De Nieuw-Zeelandse leunt naar me toe. 'Hij fluisterde dat ik hem moest volgen', zegt ze verbaasd. Ik maak de vertaalslag: 'Dat betekent waarschijnlijk dat je van zijn coke mag snoepen.' Ze antwoordt dat ze daar wel interesse in heeft en verdwijnt tussen de bananenbomen.
Lili schudt haar hoofd. 'Ken jij nog mensen hier die niet gebruiken?', vraagt ze. 'Het worden er steeds minder', zeg ik. Lili pruilt een beetje. 'Als jij ook begint, dan verlaat ik het eiland. Maar laten we eerlijk zijn: je bent vooral boos op Adam omdat hij je meisje afpakte.' Ik lach en denk even na. 'Nee dat is het niet. Ik was verontwaardigd omdat hij mij niks aanbood. Ik zou toch hebben bedankt, en dat weet hij, maar daarom kun je nog wel zo beleefd zijn om het aan te bieden.'
'Dat is dus het typisch geniepige gedrag van de cokehead', zegt Jimmy uit Essex als ik hem later hetzelfde verhaal vertel. Jimmy is een goede vriend geworden. Het is een slimme jongen voor wie het leven niet eenvoudig begon. 'Ik snoof liever verdunde Tipex, dan dat ik in de schoolboeken zat.' Nu hij vijfendertig is, heeft hij een goedlopend eigen bedrijf in houten vloeren en is hij van al zijn verslavingen af. 'Wat me het meest tegen staat van het spul is dat het mensen tot eikels maakt', zeg ik. 'Ze steken monologen af, praten alleen nog maar over zichzelf en stoppen met luisteren naar anderen.' 'Helemaal waar', zegt Jimmy. 'Dat spul heeft niemand ooit enig goed gedaan.'
Een dag later vragen twee Duitse meisjes van negentien me waar ze coke kunnen kopen. 'Dat spul heeft niemand ooit enig goed gedaan', zeg ik iets te vaderlijk. Het schiet direct in het verkeerde keelgat. 'Dat zeg je omdat we negentien zijn. Ik haat het als mensen dat doen', zegt de kleinste van de twee. 'Nee, dat zou ik ook gezegd hebben als je een man van vijftig was', lieg ik. Het is een kwestie van tijd – weinig tijd – voordat ze een dealer vinden, maar ik wil het ze niet makkelijker maken dan dat het al is.
Ik had ze door kunnen verwijzen naar Dustin, de manager van het hotel waar ik verblijf. Als de bar boven open is, verdwijnen er regelmatig mensen met hem naar achteren. Het hotel richtte zich vroeger op de rijkere toerist, maar ging over de kop. De warme douches werden ontkoppeld, het restaurant ging eruit, er kwam een bar met pooltafels en een manager die zijn inkomen aanvult met handel in illegale middelen. Nu zitten er backpackers in de kamers met eigen badkamer, TV en airconditioning. Hierdoor voelt het een beetje als een luxe kraakpand. Ik betaal er nog geen 7 dollar per nacht voor.
Na deze schets van een Sodom en Gomorra in de Cariben is het tijd voor een paar relativerende opmerkingen. Ondanks de drugs is het eiland mooi, schoon en veilig. De toerist die geen interesse heeft in geestverruimende middelen, merkt niet eens dat iedereen om hem heen vaker high is dan nuchter. En mensen als Dustin en Adam zijn geen junkies. Mijn hotel ervaar ik als goed georganiseerd, gastvrij en vriendelijk. Adam is het hoofd van een duikschool die te boek staat als zeer professioneel.
Nederland is een land van drinkers met een kleine subcultuur rondom marihuana. De buitenwereld denkt misschien dat Amsterdam de drugshoofdstad van Europa is, maar in werkelijkheid is de Nederlander altijd conservatief geweest ten opzichte van hard drugs. In Amerika gebruiken studenten coke zoals wij wiet gebruiken. Je kunt daar geen feestje aflopen zonder dat er een spiegel met lijntjes poeder rond gaat. Echter, vaders en moeders der Lage Landen: de Amerikaanse coke-cultuur krijgt ook bij ons steeds meer voet aan de grond! Jullie oogappeltjes als Lodewijk de rechten-student en Sophie die culturele antropologie doet, zitten niet meer exclusief aan de pils en de rosé in het weekend.
De vraag is of dit een probleem is. Is lijntjes snuiven echt zoveel slechter dan je vol laten lopen met bier of het roken van een joint? Als ik hier om me heen kijk, dan ben ik geneigd te zeggen: nee, dat is het niet. In Engleby van Sebastian Faulks (goed boek, aanrader) kom ik deze zin tegen: “Een alcoholist is iemand die zijn enige vriend zou bestelen, omdat de drank nu eenmaal belangrijker voor hem is. Daar kan ik geen respect voor hebben.” Aldus de pillen slikkende hoofdpersoon. Alcohol is ook een drug en kan net zo destructief zijn. Dat vergeten we soms. Het is maar hoe je ermee omgaat.
Wat me nog het meest dwars zit over de ontluikende coke-cultuur thuis, is de hypocrisie van de nieuwe generatie gebruikers. De jonge coke-snuiver anno 2010 staat er namelijk op dat zijn tonijn 'dolfijn-vriendelijk' gevangen is, dat de derde wereld-boer een eerlijke prijs heeft gekregen voor de koffie en dat zijn bank geen vervuilende industrie financiert, maar dezelfde persoon sluit zijn ogen voor het feit dat hij met zijn coke-afname indirect drugs-kartels en guerrilla-groeperingen in Zuid-Amerika van geld voor wapens voorziet.
En hier had ik willen eindigen. Totdat ik onlangs een lijkbleke Jimmy tegenkwam. Samen met zijn vriendin Vicky had hij zich met de panga laten overzetten naar Big Corn om van de pinautomaat daar gebruik te maken. Ze besloten er een nacht te blijven zodat ze de volgende ochtend nog eens geld konden opnemen, om dan terug te keren naar de idylle van Little Corn. Jimmy en Vicky gebruiken nauwelijks nog drugs, maar werden op het saaie Big Corn overvallen door een 'ach-we-zijn-op-vakantie-gevoel' en installeerden zich in hun hotelkamer met een hoeveelheid van de puurste cocaïne.
Toen de eerste zonnestralen al naar binnen schenen, kreeg Jimmy hartkloppingen, brak hem het zweet uit, verkrampte zijn handen en voelden hij steken in zijn bovenarmen. Toen Vicky een paniekaanval te boven was gekomen, zette ze hem in een taxi. In de kliniek op Big Corn kreeg Jimmy een spuit in zijn achterste en werd de hartaanval op het laatste moment afgewend.
'Ik ben er klaar mee, helemaal klaar', zegt Jimmy en ik geloof hem. 'Mijn lichaam kan dit niet meer aan. In het verleden heb ik er al te veel schade aan toegebracht.' Vicky knikt instemmend en wrijft over zijn rug. 'Ik weet dat veel mensen zonder problemen coke gebruiken, maar wat niemand schijnt te beseffen is dat één lijntje dat verkeerd valt, je je leven kosten. Schrijf dat maar op.'
Dat de coke hier uit de zee komt moet ik misschien even uitleggen. Little Corn ligt op de smokkelroute van Colombia naar de V.S. De Colombianen zijn niet te beroerd om ook dit eiland als afzetmarkt mee te nemen. Maar dat is nog niet de echte witte kreeft. In Little Corn Island vinden de smokkelaars een veilige haven als het water ze te heet onder de boot wordt. 'Als je alle locals opeens in één richting ziet rennen, dan weet je dat er een drugsboot gestrand is', zegt duikinstructeur Adam – zelf enthousiast gebruiker. 'De Colombianen vluchten het oerwoud in en de lokalen halen ondertussen de boot leeg volgens een systeem van pakken wat je pakken kan.' Een klein deel van de buit wordt achtergehouden, de rest verkoopt men terug voor een fractie van de marktwaarde: een koopje voor de Colombianen – die hun coke alsnog in de V.S. kunnen afzetten –, maar een fortuin voor de gemiddelde bewoner van Little Corn Island. En zo is iedereen blij.
Men zegt dat een ieder die hier een mooi huis bezit – dat wil zeggen: een huis dat meer is dan houten planken en een dak van golfplaat –, dat aan drugsgeld te danken heeft. Ik weet niet of het waar is. Het eiland, zo heb ik gemerkt, heeft een talent voor het fabriceren van bakerpraatjes. Maar het staat buiten kijf dat het vinden van een kilo coke in de ogen van veel eilanders een snelweg naar een leven van weelde is.
'Ik heb gisteren mijn buurman ontmoet', vertelt Charlie, de nieuwe manager van Casa Iguana – zelf een recreatief gebruiker. 'Zijn vrouw schudde mijn hand en stelde zich voor als Shirley. Hij schudde mijn hand en zei “ik vond ooit veel coke, maar ik werd gepakt”'. Kennelijk is Charlie's buurman nog zo gefrustreerd over de rijkdom die hem door de vingers is geglipt, dat hij meent zich te moeten voorstellen als 'de man die ooit veel coke vond'.
Daar droomt Dario ook over. Hij is eenentwintig, draagt T-shirts in de kleuren van de Jamaicaanse vlag en is helaas niet zo snugger. 'Heb je de helikopter van de kustwacht gezien vandaag, Jorden!', zegt hij als we in het donker over een bospad teruglopen naar het dorp. 'Je moet opletten man! Een helikopter betekent dat er een drugsboot in de buurt is.'
Dario is ook een tikje lui en is begonnen met dealen om de huur te betalen. 'Kijk dit eens!' Hij haalt een plastic zakje met zo'n twintig bolletjes coke tevoorschijn. 'Het beste spul op het eiland! Zacht, niet bitter. Niet het soort spul waar je van gaat tandenknarsen.' Hij steekt zijn neus in het zakje, snuift de geur op en staat erop dat ik hetzelfde doe. 'Zo hoort echte coke te ruiken, of niet?' Ik heb geen idee hoe echte coke hoort te ruiken, wat mij betreft kan het net zo goed gemalen pepermunt zijn.
Ik wil Dario niet tegen de kroesharen instrijken en zeg dat het goed ruikt. 'Hier, wil je proeven?' Hij haalt een condoom uit zijn zak en snuift een beetje coke op vanaf het puntje van de verpakking. 'Ik heb geen interesse om je handelswaar te kopen Dario', zeg ik. 'Nee, dat weet ik', zegt hij. 'Alleen proeven.' Ik heb dikke lijnen coke zien verdwijnen in de bevallige neusjes van meisjes van vijftig kilo en besluit dat een mespuntje – zelfs als het spul zo puur is als Dario beweert – me niet nadelig zal beïnvloeden. Ik snuif diep en voel de coke dan m'n keel in druipen. 'Inderdaad, niet bitter Dario', zeg ik.
Voordat we afscheid nemen uit Dario zijn frustratie over zijn geringe succes met de toeristes op eiland. 'Ze weten allemaal dat ik een vriendin heb. Ik ben eenentwintig man, ik moet weten wat er te koop is.' Niet voor de eerste keer probeer ik hem uit te leggen dat het een klein eiland is en dat hij het moet uitmaken met Nicole – een mollige Amerikaanse, met wie ik medelijden heb – als hij per se wil rondneuken. 'Je kunt niet alles tegelijk hebben.' Maar dat is precies wat Dario wil.
Ik vertel het hele verhaal aan Zwitserse Lili. We hebben net fantastische kreeft op van acht dollar en drinken rode wijn op een houten veranda die vanaf een klif uitsteekt boven de zee. Aan één oor heeft ze een kralenketting hangen die reikt tot haar schouder en eindigt in een veer. We zijn vrienden en nu maakt ze zich zorgen. 'Als je maar weg blijft van dat spul', zegt ze dreigend. Ik zeg dat ze zich geen zorgen hoeft te maken. En weet ze trouwens dat Adam, haar duikinstucteur, er bepaald niet vies van is?
Ik vertel Lili over een avond in de Happy Hut, een reggaebar. Ik zit om een verweerde houten tafel met een Nieuw-Zeelandse, buiten bereik van het muziekgeweld. Na enige tijd schuift Adam aan. De Nieuw-Zeelandse vraagt of alle geruchten over de coke waar zijn. Ik laat het aan Adam over om die vraag te beantwoorden. Dan staat hij plotseling op en verdwijnt. De Nieuw-Zeelandse leunt naar me toe. 'Hij fluisterde dat ik hem moest volgen', zegt ze verbaasd. Ik maak de vertaalslag: 'Dat betekent waarschijnlijk dat je van zijn coke mag snoepen.' Ze antwoordt dat ze daar wel interesse in heeft en verdwijnt tussen de bananenbomen.
Lili schudt haar hoofd. 'Ken jij nog mensen hier die niet gebruiken?', vraagt ze. 'Het worden er steeds minder', zeg ik. Lili pruilt een beetje. 'Als jij ook begint, dan verlaat ik het eiland. Maar laten we eerlijk zijn: je bent vooral boos op Adam omdat hij je meisje afpakte.' Ik lach en denk even na. 'Nee dat is het niet. Ik was verontwaardigd omdat hij mij niks aanbood. Ik zou toch hebben bedankt, en dat weet hij, maar daarom kun je nog wel zo beleefd zijn om het aan te bieden.'
'Dat is dus het typisch geniepige gedrag van de cokehead', zegt Jimmy uit Essex als ik hem later hetzelfde verhaal vertel. Jimmy is een goede vriend geworden. Het is een slimme jongen voor wie het leven niet eenvoudig begon. 'Ik snoof liever verdunde Tipex, dan dat ik in de schoolboeken zat.' Nu hij vijfendertig is, heeft hij een goedlopend eigen bedrijf in houten vloeren en is hij van al zijn verslavingen af. 'Wat me het meest tegen staat van het spul is dat het mensen tot eikels maakt', zeg ik. 'Ze steken monologen af, praten alleen nog maar over zichzelf en stoppen met luisteren naar anderen.' 'Helemaal waar', zegt Jimmy. 'Dat spul heeft niemand ooit enig goed gedaan.'
Een dag later vragen twee Duitse meisjes van negentien me waar ze coke kunnen kopen. 'Dat spul heeft niemand ooit enig goed gedaan', zeg ik iets te vaderlijk. Het schiet direct in het verkeerde keelgat. 'Dat zeg je omdat we negentien zijn. Ik haat het als mensen dat doen', zegt de kleinste van de twee. 'Nee, dat zou ik ook gezegd hebben als je een man van vijftig was', lieg ik. Het is een kwestie van tijd – weinig tijd – voordat ze een dealer vinden, maar ik wil het ze niet makkelijker maken dan dat het al is.
Ik had ze door kunnen verwijzen naar Dustin, de manager van het hotel waar ik verblijf. Als de bar boven open is, verdwijnen er regelmatig mensen met hem naar achteren. Het hotel richtte zich vroeger op de rijkere toerist, maar ging over de kop. De warme douches werden ontkoppeld, het restaurant ging eruit, er kwam een bar met pooltafels en een manager die zijn inkomen aanvult met handel in illegale middelen. Nu zitten er backpackers in de kamers met eigen badkamer, TV en airconditioning. Hierdoor voelt het een beetje als een luxe kraakpand. Ik betaal er nog geen 7 dollar per nacht voor.
Na deze schets van een Sodom en Gomorra in de Cariben is het tijd voor een paar relativerende opmerkingen. Ondanks de drugs is het eiland mooi, schoon en veilig. De toerist die geen interesse heeft in geestverruimende middelen, merkt niet eens dat iedereen om hem heen vaker high is dan nuchter. En mensen als Dustin en Adam zijn geen junkies. Mijn hotel ervaar ik als goed georganiseerd, gastvrij en vriendelijk. Adam is het hoofd van een duikschool die te boek staat als zeer professioneel.
Nederland is een land van drinkers met een kleine subcultuur rondom marihuana. De buitenwereld denkt misschien dat Amsterdam de drugshoofdstad van Europa is, maar in werkelijkheid is de Nederlander altijd conservatief geweest ten opzichte van hard drugs. In Amerika gebruiken studenten coke zoals wij wiet gebruiken. Je kunt daar geen feestje aflopen zonder dat er een spiegel met lijntjes poeder rond gaat. Echter, vaders en moeders der Lage Landen: de Amerikaanse coke-cultuur krijgt ook bij ons steeds meer voet aan de grond! Jullie oogappeltjes als Lodewijk de rechten-student en Sophie die culturele antropologie doet, zitten niet meer exclusief aan de pils en de rosé in het weekend.
De vraag is of dit een probleem is. Is lijntjes snuiven echt zoveel slechter dan je vol laten lopen met bier of het roken van een joint? Als ik hier om me heen kijk, dan ben ik geneigd te zeggen: nee, dat is het niet. In Engleby van Sebastian Faulks (goed boek, aanrader) kom ik deze zin tegen: “Een alcoholist is iemand die zijn enige vriend zou bestelen, omdat de drank nu eenmaal belangrijker voor hem is. Daar kan ik geen respect voor hebben.” Aldus de pillen slikkende hoofdpersoon. Alcohol is ook een drug en kan net zo destructief zijn. Dat vergeten we soms. Het is maar hoe je ermee omgaat.
Wat me nog het meest dwars zit over de ontluikende coke-cultuur thuis, is de hypocrisie van de nieuwe generatie gebruikers. De jonge coke-snuiver anno 2010 staat er namelijk op dat zijn tonijn 'dolfijn-vriendelijk' gevangen is, dat de derde wereld-boer een eerlijke prijs heeft gekregen voor de koffie en dat zijn bank geen vervuilende industrie financiert, maar dezelfde persoon sluit zijn ogen voor het feit dat hij met zijn coke-afname indirect drugs-kartels en guerrilla-groeperingen in Zuid-Amerika van geld voor wapens voorziet.
En hier had ik willen eindigen. Totdat ik onlangs een lijkbleke Jimmy tegenkwam. Samen met zijn vriendin Vicky had hij zich met de panga laten overzetten naar Big Corn om van de pinautomaat daar gebruik te maken. Ze besloten er een nacht te blijven zodat ze de volgende ochtend nog eens geld konden opnemen, om dan terug te keren naar de idylle van Little Corn. Jimmy en Vicky gebruiken nauwelijks nog drugs, maar werden op het saaie Big Corn overvallen door een 'ach-we-zijn-op-vakantie-gevoel' en installeerden zich in hun hotelkamer met een hoeveelheid van de puurste cocaïne.
Toen de eerste zonnestralen al naar binnen schenen, kreeg Jimmy hartkloppingen, brak hem het zweet uit, verkrampte zijn handen en voelden hij steken in zijn bovenarmen. Toen Vicky een paniekaanval te boven was gekomen, zette ze hem in een taxi. In de kliniek op Big Corn kreeg Jimmy een spuit in zijn achterste en werd de hartaanval op het laatste moment afgewend.
'Ik ben er klaar mee, helemaal klaar', zegt Jimmy en ik geloof hem. 'Mijn lichaam kan dit niet meer aan. In het verleden heb ik er al te veel schade aan toegebracht.' Vicky knikt instemmend en wrijft over zijn rug. 'Ik weet dat veel mensen zonder problemen coke gebruiken, maar wat niemand schijnt te beseffen is dat één lijntje dat verkeerd valt, je je leven kosten. Schrijf dat maar op.'
Abonneren op:
Posts (Atom)