Na vijf maanden Midden-Amerika ben ik niet beroofd, bestolen, overvallen, opgelicht, verkracht of vermoord. Zelfs mijn zakken zijn – voor zover ik weet – niet gerold. Ik ben gevrijwaard gebleven van alle criminaliteit waar dit deel van dit wereld – deels onterecht – bekend om staat. Tot vorige week.
Ik verliet de betonnen jungle van Guatemala-stad direct na aankomst op het vliegveld. De taxirit naar Antigua, de vroegere koloniale hoofdstad, duurde korter dan verwacht en zodoende heb ik bij aankomst geen idee waar ik wil verblijven.
Ik laat me afzetten in het Parque Central, dat omgeven is door oude regeringsgebouwen en een kathedraal. In de namiddagzon maak ik het me gemakkelijk op een bankje en haal de Lonely Planet tevoorschijn. Op de achtergrond klatert de fontein, die bestaat uit sculpturen van naakte vrouwen. Ze houden hun handen voor de borsten. Tussen hun vingers door spuit water. Zakenmannen en studenten gebruiken hun laptop (in Guatemala wordt de was nog met de hand gedaan, maar draadloos internet is overal). Schoolkinderen kopen mierzoete versnaperingen. Toeristen maken foto's. Mijn natuurlijke argwaan zakt tot een nulpunt.
Twee mannen van een jaar of vijftig stappen op me af. Ze dragen beiden een blauw overhemd met het logo van een reisbureau. Om hun nek hangt identificatie met foto. Hun grijzende haar is strak naar achteren gekamd. Ze zien er gesoigneerd uit. De vraag: heb ik interesse om morgen Pacaya, een actieve vulkaan te beklimmen. De prijs is twintig dollar. Ik dien warme kleren, water, iets te eten en wat kleingeld mee te nemen, zodat ik een stok kan kopen bij één van de kinderen aan de voet van berg. Dat maakt het klimmen een stuk makkelijker. We hebben een geanimeerd gesprek in het Spaans, maar wanneer ik vastloop schakelen de heren moeiteloos over in het Engels. Ik betaal twintig dollar en krijg een reçu.
De volgende dag sta ik om twee uur op de afgesproken plek. Jullie voelen hem al aankomen: geen bus, geen gesoigneerde welbespraakte gids te zien. Ik loop naar het kantoor van de touroperator en vraag of de excursie van twee uur al vertrokken is. 'Ja, je bent te laat, waarom stond je niet hier om twee uur?' 'Omdat jullie me vertelden dat de tour vanaf café Condessa vertrok!', zeg ik. Ik laat mijn ontvangstbewijs zien. 'Sorry jongen, maar je bent opgelicht.'
Goed het is maar twintig dollar, daar gaan we niet dramatisch over doen. Nauwelijks een stukje waard. Ik haal het aan om wat er daarna gebeurde. De eigenaar belt direct met het hoofd van Iquat, de plaatselijke VVV. Het is een geagiteerd gesprek en ik begrijp dat hij eist dat er eindelijk wat gedaan wordt aan de oplichters. 'Als je morgen langs gaat bij Iquat krijg je je twintig dollar terug', zegt hij nadat hij heeft opgehangen. 'En ik bel nu de chauffeur van de bus op en zeg dat hij omkeert. Dan mag je gratis mee.'
Ook dat is Guatemala.
vrijdag 19 maart 2010
zaterdag 13 maart 2010
Tabula rasa
Het is lekker om weer onderweg te zijn. En om al m'n bezittingen weer op de rug te dragen geeft een opgeruimd gevoel. Mijn hotelkamer zag er de laatste tijd uit alsof er een bom was ontploft.
Ik kijk ernaar uit om mezelf opnieuw te kunnen uitvinden op een andere plek. Het grootste genot van reizen is los te zijn van alle sociale banden. Daar waar niemand je kent, kun je zijn wie je wilt zijn. Je hebt zo veel of zo weinig verleden als je maar wenst.
Op Little Corn Island bleef ik te lang en werd ik op een dag wakker als een onderdeel van een sociaal netwerk. Mensen dachten me te kennen en ik dacht hen te kennen. Ik had een mening over hen en zij hadden een mening over mij.
Zodra deze eerste beeldvorming heeft plaatsgevonden valt hij slechts met pijn, moeite en tijd aan te passen. Misschien heb je dingen gezegd waar je spijt van hebt, misschien waren er momenten waar je het naliet iets te zeggen. Hoe dan ook: je hebt ankers uitgegooid. Een volgende interactie nuanceert het beeld hooguit. Door nuance op nuance te stapelen, leren homo sapiens elkaar stukje bij beetje kennen.
Maar dat is een inspanning die doorgaans bewaard wordt voor de echte wereld en waar de reizende escapist weinig geduld voor heeft. Het idee om opnieuw te kunnen beginnen in een omgeving vol vreemden maakt me ongeduldig en gretig.
Of ik doe het omgekeerde en vlieg eerst een tijdje onder de radar. Wekenlang met niemand praten is namelijk ook een privilege dat exclusief aan de reiziger toevalt.
Ik kijk ernaar uit om mezelf opnieuw te kunnen uitvinden op een andere plek. Het grootste genot van reizen is los te zijn van alle sociale banden. Daar waar niemand je kent, kun je zijn wie je wilt zijn. Je hebt zo veel of zo weinig verleden als je maar wenst.
Op Little Corn Island bleef ik te lang en werd ik op een dag wakker als een onderdeel van een sociaal netwerk. Mensen dachten me te kennen en ik dacht hen te kennen. Ik had een mening over hen en zij hadden een mening over mij.
Zodra deze eerste beeldvorming heeft plaatsgevonden valt hij slechts met pijn, moeite en tijd aan te passen. Misschien heb je dingen gezegd waar je spijt van hebt, misschien waren er momenten waar je het naliet iets te zeggen. Hoe dan ook: je hebt ankers uitgegooid. Een volgende interactie nuanceert het beeld hooguit. Door nuance op nuance te stapelen, leren homo sapiens elkaar stukje bij beetje kennen.
Maar dat is een inspanning die doorgaans bewaard wordt voor de echte wereld en waar de reizende escapist weinig geduld voor heeft. Het idee om opnieuw te kunnen beginnen in een omgeving vol vreemden maakt me ongeduldig en gretig.
Of ik doe het omgekeerde en vlieg eerst een tijdje onder de radar. Wekenlang met niemand praten is namelijk ook een privilege dat exclusief aan de reiziger toevalt.
vrijdag 5 maart 2010
Eilandkoorts
Krijg toch allemaal de kolere, val voor mijn part allemaal dood!
Eerlijk waar, niemand geeft ene bal om jullie zweterige eilandje. Ja meneer de duikinstucteur, je hoort het goed. Ik ben het zat om elke avond de verhalen over je veroveringen aan te moeten horen. Je bezit de emotionele reikwijdte van een fruitvlieg. In de echte wereld ben je geen stuiver waard, daarom leef je hier. Maar ik zal het nooit in je gezicht zeggen. Want daar is dit incestueuze eiland te klein voor. Mensen die in een vat buskruit leven, kunnen niet met vuur spelen, dus behandelt iedereen elkaar met fluwelen handschoenen en word de spanning elke dag een beetje groter. Dus roddelen we als een stel oude wijven. Om maar een uitlaatklep te hebben. Nieuws en gerucht gaan als een sprintend vuurtje in de rondte. Nou, ik vertel vanaf nu dus mooi niemand meer iets.
En altijd weer die overspannen paringsdans rond dat kampvuur. Ja Patrick, we weten dat je voorleest op het schooltje hier. Je bent grotere kindervriend dan Sinterklaas. Maar dat domme Deense wicht, krijg je toch wel het bed in, dus laat het toneelstuk maar achterwege. Kijk, daar loopt zo'n smerig lokaaltje. Pak hem maar op, aai hem over de bol, praat halfbakken-Creools tegen hem. Hup, op de schoot van de Deense, dat negertje. Hij is om op te vreten met z'n grote bruine ogen. 'Oh, ik wil hem mee naar huis nemen', zegt ze. Goed gedaan jongen, je hebt de eierstokken doen rammelen, ik hoor de verhalen morgenochtend wel weer.
En jou ben ik ook zat, Lili. Van je onvermogen om dit eiland te zien voor wat het is, word ik horendol. Altijd positief en vrolijk, altijd het beste in de mens willen zien; het zijn eigenschappen die geroemd worden, maar er komt een moment dat je hardhandig wakker wordt geschud. Als je wereldbeeld uit elkaar spat, wil je me dan even bellen om te zeggen dat ik toch gelijk had?
Maar jij kan ook de kolere krijgen, Jorden Tiebout. Jij en je pokkehumeur. Op een andere dag was alles van je afgegleden als water van een eend. Onbenoembare frustraties knagen aan je. Ze laten je zelfvertrouwen wegkwijnen en dat compenseer je met arrogantie. Je weet dit al langer, maar hebt er nog altijd geen remedie voor gevonden. Je ergert je de laatste tijd aan je woorden: degene op papier en degene die uit je mond komen. Je hebt moeite mensen te laten luisteren, je maakt ze niet meer aan het lachen. Ze zien je niet meer. Het voelt alsof je vocabulaire krimpt. Je probeert het te forceren, maar dat heeft een averechts effect. Al het kwikzilver is gestold. De magie van eerder, je kunt er niet meer bij. Je bent een stamelende peuter. Je wilt schreeuwen en schoppen en je voelt je verder dan ooit verwijderd van de persoon die je wilt zijn. Je bent bang dat je het niet meer terug zal kunnen vinden. De ratio zegt dat het goed komt (dat kan toch niet anders?), maar het hart is angstig.
En nu dames en heren goedenacht. Deze jongen zegt vaarwel. Hij huilt zich liever in slaap, dan nog meer van jullie gezemel aan toe moeten horen. Geniet nog van het kampvuur. Er is er pas over twee dagen weer één. Wie heeft m'n fles rum gejat? Afblijven, niet van jou.
Ik kom laat uit bed. Te laat om de frisheid van de Caribische ochtend nog te kunnen proeven. Ongeschoren, katerig en met de galsmaak nog in m'n mond loop ik door het dorp; het shirt halfopen en de mondhoeken naar beneden. Langdurig alcoholgebruik maakt me paranoïde. De wereld heeft het slechtste met me voor. M'n zenuwen zijn op. Ik besluit de volgende dag nog te vertrekken.
Een Amerikaanse familie komt me tegemoet. Vader en moeder dragen witte sokken in hun slippers. Zoonlief draagt een lang shirt van synthetische stof van de Chicago Bulls. Geen verheffend beeld. Maar de dochter van zestien staart naar me en als ik haar blik vang, bloost ze en kijkt naar de grond. Ik loop verder met een grijns op je gezicht. Voor wie meisjes van zestien kan laten blozen, is het nog niet te laat. Geluk zit net zo goed in een klein hoekje.
(Dat neemt niet weg dat het de hoogste tijd is dat ik mijn biezen pak.)
Eerlijk waar, niemand geeft ene bal om jullie zweterige eilandje. Ja meneer de duikinstucteur, je hoort het goed. Ik ben het zat om elke avond de verhalen over je veroveringen aan te moeten horen. Je bezit de emotionele reikwijdte van een fruitvlieg. In de echte wereld ben je geen stuiver waard, daarom leef je hier. Maar ik zal het nooit in je gezicht zeggen. Want daar is dit incestueuze eiland te klein voor. Mensen die in een vat buskruit leven, kunnen niet met vuur spelen, dus behandelt iedereen elkaar met fluwelen handschoenen en word de spanning elke dag een beetje groter. Dus roddelen we als een stel oude wijven. Om maar een uitlaatklep te hebben. Nieuws en gerucht gaan als een sprintend vuurtje in de rondte. Nou, ik vertel vanaf nu dus mooi niemand meer iets.
En altijd weer die overspannen paringsdans rond dat kampvuur. Ja Patrick, we weten dat je voorleest op het schooltje hier. Je bent grotere kindervriend dan Sinterklaas. Maar dat domme Deense wicht, krijg je toch wel het bed in, dus laat het toneelstuk maar achterwege. Kijk, daar loopt zo'n smerig lokaaltje. Pak hem maar op, aai hem over de bol, praat halfbakken-Creools tegen hem. Hup, op de schoot van de Deense, dat negertje. Hij is om op te vreten met z'n grote bruine ogen. 'Oh, ik wil hem mee naar huis nemen', zegt ze. Goed gedaan jongen, je hebt de eierstokken doen rammelen, ik hoor de verhalen morgenochtend wel weer.
En jou ben ik ook zat, Lili. Van je onvermogen om dit eiland te zien voor wat het is, word ik horendol. Altijd positief en vrolijk, altijd het beste in de mens willen zien; het zijn eigenschappen die geroemd worden, maar er komt een moment dat je hardhandig wakker wordt geschud. Als je wereldbeeld uit elkaar spat, wil je me dan even bellen om te zeggen dat ik toch gelijk had?
Maar jij kan ook de kolere krijgen, Jorden Tiebout. Jij en je pokkehumeur. Op een andere dag was alles van je afgegleden als water van een eend. Onbenoembare frustraties knagen aan je. Ze laten je zelfvertrouwen wegkwijnen en dat compenseer je met arrogantie. Je weet dit al langer, maar hebt er nog altijd geen remedie voor gevonden. Je ergert je de laatste tijd aan je woorden: degene op papier en degene die uit je mond komen. Je hebt moeite mensen te laten luisteren, je maakt ze niet meer aan het lachen. Ze zien je niet meer. Het voelt alsof je vocabulaire krimpt. Je probeert het te forceren, maar dat heeft een averechts effect. Al het kwikzilver is gestold. De magie van eerder, je kunt er niet meer bij. Je bent een stamelende peuter. Je wilt schreeuwen en schoppen en je voelt je verder dan ooit verwijderd van de persoon die je wilt zijn. Je bent bang dat je het niet meer terug zal kunnen vinden. De ratio zegt dat het goed komt (dat kan toch niet anders?), maar het hart is angstig.
En nu dames en heren goedenacht. Deze jongen zegt vaarwel. Hij huilt zich liever in slaap, dan nog meer van jullie gezemel aan toe moeten horen. Geniet nog van het kampvuur. Er is er pas over twee dagen weer één. Wie heeft m'n fles rum gejat? Afblijven, niet van jou.
Ik kom laat uit bed. Te laat om de frisheid van de Caribische ochtend nog te kunnen proeven. Ongeschoren, katerig en met de galsmaak nog in m'n mond loop ik door het dorp; het shirt halfopen en de mondhoeken naar beneden. Langdurig alcoholgebruik maakt me paranoïde. De wereld heeft het slechtste met me voor. M'n zenuwen zijn op. Ik besluit de volgende dag nog te vertrekken.
Een Amerikaanse familie komt me tegemoet. Vader en moeder dragen witte sokken in hun slippers. Zoonlief draagt een lang shirt van synthetische stof van de Chicago Bulls. Geen verheffend beeld. Maar de dochter van zestien staart naar me en als ik haar blik vang, bloost ze en kijkt naar de grond. Ik loop verder met een grijns op je gezicht. Voor wie meisjes van zestien kan laten blozen, is het nog niet te laat. Geluk zit net zo goed in een klein hoekje.
(Dat neemt niet weg dat het de hoogste tijd is dat ik mijn biezen pak.)
donderdag 25 februari 2010
Witte kreeft
William Faulkner zei over Los Angeles 'dat je er kan rotten zonder het te voelen.' In het klein geldt dat ook voor het altijd zonnige Little Corn Island. Het rottingsproces van sommigen wordt bespoedigd door de werkelijk onvoorstelbare hoeveelheden cocaïne die hier verkrijgbaar zijn. De lokale bevolking noemt de drug 'witte kreeft', want 'het komt uit de zee en het is geld waard'.
Dat de coke hier uit de zee komt moet ik misschien even uitleggen. Little Corn ligt op de smokkelroute van Colombia naar de V.S. De Colombianen zijn niet te beroerd om ook dit eiland als afzetmarkt mee te nemen. Maar dat is nog niet de echte witte kreeft. In Little Corn Island vinden de smokkelaars een veilige haven als het water ze te heet onder de boot wordt. 'Als je alle locals opeens in één richting ziet rennen, dan weet je dat er een drugsboot gestrand is', zegt duikinstructeur Adam – zelf enthousiast gebruiker. 'De Colombianen vluchten het oerwoud in en de lokalen halen ondertussen de boot leeg volgens een systeem van pakken wat je pakken kan.' Een klein deel van de buit wordt achtergehouden, de rest verkoopt men terug voor een fractie van de marktwaarde: een koopje voor de Colombianen – die hun coke alsnog in de V.S. kunnen afzetten –, maar een fortuin voor de gemiddelde bewoner van Little Corn Island. En zo is iedereen blij.
Men zegt dat een ieder die hier een mooi huis bezit – dat wil zeggen: een huis dat meer is dan houten planken en een dak van golfplaat –, dat aan drugsgeld te danken heeft. Ik weet niet of het waar is. Het eiland, zo heb ik gemerkt, heeft een talent voor het fabriceren van bakerpraatjes. Maar het staat buiten kijf dat het vinden van een kilo coke in de ogen van veel eilanders een snelweg naar een leven van weelde is.
'Ik heb gisteren mijn buurman ontmoet', vertelt Charlie, de nieuwe manager van Casa Iguana – zelf een recreatief gebruiker. 'Zijn vrouw schudde mijn hand en stelde zich voor als Shirley. Hij schudde mijn hand en zei “ik vond ooit veel coke, maar ik werd gepakt”'. Kennelijk is Charlie's buurman nog zo gefrustreerd over de rijkdom die hem door de vingers is geglipt, dat hij meent zich te moeten voorstellen als 'de man die ooit veel coke vond'.
Daar droomt Dario ook over. Hij is eenentwintig, draagt T-shirts in de kleuren van de Jamaicaanse vlag en is helaas niet zo snugger. 'Heb je de helikopter van de kustwacht gezien vandaag, Jorden!', zegt hij als we in het donker over een bospad teruglopen naar het dorp. 'Je moet opletten man! Een helikopter betekent dat er een drugsboot in de buurt is.'
Dario is ook een tikje lui en is begonnen met dealen om de huur te betalen. 'Kijk dit eens!' Hij haalt een plastic zakje met zo'n twintig bolletjes coke tevoorschijn. 'Het beste spul op het eiland! Zacht, niet bitter. Niet het soort spul waar je van gaat tandenknarsen.' Hij steekt zijn neus in het zakje, snuift de geur op en staat erop dat ik hetzelfde doe. 'Zo hoort echte coke te ruiken, of niet?' Ik heb geen idee hoe echte coke hoort te ruiken, wat mij betreft kan het net zo goed gemalen pepermunt zijn.
Ik wil Dario niet tegen de kroesharen instrijken en zeg dat het goed ruikt. 'Hier, wil je proeven?' Hij haalt een condoom uit zijn zak en snuift een beetje coke op vanaf het puntje van de verpakking. 'Ik heb geen interesse om je handelswaar te kopen Dario', zeg ik. 'Nee, dat weet ik', zegt hij. 'Alleen proeven.' Ik heb dikke lijnen coke zien verdwijnen in de bevallige neusjes van meisjes van vijftig kilo en besluit dat een mespuntje – zelfs als het spul zo puur is als Dario beweert – me niet nadelig zal beïnvloeden. Ik snuif diep en voel de coke dan m'n keel in druipen. 'Inderdaad, niet bitter Dario', zeg ik.
Voordat we afscheid nemen uit Dario zijn frustratie over zijn geringe succes met de toeristes op eiland. 'Ze weten allemaal dat ik een vriendin heb. Ik ben eenentwintig man, ik moet weten wat er te koop is.' Niet voor de eerste keer probeer ik hem uit te leggen dat het een klein eiland is en dat hij het moet uitmaken met Nicole – een mollige Amerikaanse, met wie ik medelijden heb – als hij per se wil rondneuken. 'Je kunt niet alles tegelijk hebben.' Maar dat is precies wat Dario wil.
Ik vertel het hele verhaal aan Zwitserse Lili. We hebben net fantastische kreeft op van acht dollar en drinken rode wijn op een houten veranda die vanaf een klif uitsteekt boven de zee. Aan één oor heeft ze een kralenketting hangen die reikt tot haar schouder en eindigt in een veer. We zijn vrienden en nu maakt ze zich zorgen. 'Als je maar weg blijft van dat spul', zegt ze dreigend. Ik zeg dat ze zich geen zorgen hoeft te maken. En weet ze trouwens dat Adam, haar duikinstucteur, er bepaald niet vies van is?
Ik vertel Lili over een avond in de Happy Hut, een reggaebar. Ik zit om een verweerde houten tafel met een Nieuw-Zeelandse, buiten bereik van het muziekgeweld. Na enige tijd schuift Adam aan. De Nieuw-Zeelandse vraagt of alle geruchten over de coke waar zijn. Ik laat het aan Adam over om die vraag te beantwoorden. Dan staat hij plotseling op en verdwijnt. De Nieuw-Zeelandse leunt naar me toe. 'Hij fluisterde dat ik hem moest volgen', zegt ze verbaasd. Ik maak de vertaalslag: 'Dat betekent waarschijnlijk dat je van zijn coke mag snoepen.' Ze antwoordt dat ze daar wel interesse in heeft en verdwijnt tussen de bananenbomen.
Lili schudt haar hoofd. 'Ken jij nog mensen hier die niet gebruiken?', vraagt ze. 'Het worden er steeds minder', zeg ik. Lili pruilt een beetje. 'Als jij ook begint, dan verlaat ik het eiland. Maar laten we eerlijk zijn: je bent vooral boos op Adam omdat hij je meisje afpakte.' Ik lach en denk even na. 'Nee dat is het niet. Ik was verontwaardigd omdat hij mij niks aanbood. Ik zou toch hebben bedankt, en dat weet hij, maar daarom kun je nog wel zo beleefd zijn om het aan te bieden.'
'Dat is dus het typisch geniepige gedrag van de cokehead', zegt Jimmy uit Essex als ik hem later hetzelfde verhaal vertel. Jimmy is een goede vriend geworden. Het is een slimme jongen voor wie het leven niet eenvoudig begon. 'Ik snoof liever verdunde Tipex, dan dat ik in de schoolboeken zat.' Nu hij vijfendertig is, heeft hij een goedlopend eigen bedrijf in houten vloeren en is hij van al zijn verslavingen af. 'Wat me het meest tegen staat van het spul is dat het mensen tot eikels maakt', zeg ik. 'Ze steken monologen af, praten alleen nog maar over zichzelf en stoppen met luisteren naar anderen.' 'Helemaal waar', zegt Jimmy. 'Dat spul heeft niemand ooit enig goed gedaan.'
Een dag later vragen twee Duitse meisjes van negentien me waar ze coke kunnen kopen. 'Dat spul heeft niemand ooit enig goed gedaan', zeg ik iets te vaderlijk. Het schiet direct in het verkeerde keelgat. 'Dat zeg je omdat we negentien zijn. Ik haat het als mensen dat doen', zegt de kleinste van de twee. 'Nee, dat zou ik ook gezegd hebben als je een man van vijftig was', lieg ik. Het is een kwestie van tijd – weinig tijd – voordat ze een dealer vinden, maar ik wil het ze niet makkelijker maken dan dat het al is.
Ik had ze door kunnen verwijzen naar Dustin, de manager van het hotel waar ik verblijf. Als de bar boven open is, verdwijnen er regelmatig mensen met hem naar achteren. Het hotel richtte zich vroeger op de rijkere toerist, maar ging over de kop. De warme douches werden ontkoppeld, het restaurant ging eruit, er kwam een bar met pooltafels en een manager die zijn inkomen aanvult met handel in illegale middelen. Nu zitten er backpackers in de kamers met eigen badkamer, TV en airconditioning. Hierdoor voelt het een beetje als een luxe kraakpand. Ik betaal er nog geen 7 dollar per nacht voor.
Na deze schets van een Sodom en Gomorra in de Cariben is het tijd voor een paar relativerende opmerkingen. Ondanks de drugs is het eiland mooi, schoon en veilig. De toerist die geen interesse heeft in geestverruimende middelen, merkt niet eens dat iedereen om hem heen vaker high is dan nuchter. En mensen als Dustin en Adam zijn geen junkies. Mijn hotel ervaar ik als goed georganiseerd, gastvrij en vriendelijk. Adam is het hoofd van een duikschool die te boek staat als zeer professioneel.
Nederland is een land van drinkers met een kleine subcultuur rondom marihuana. De buitenwereld denkt misschien dat Amsterdam de drugshoofdstad van Europa is, maar in werkelijkheid is de Nederlander altijd conservatief geweest ten opzichte van hard drugs. In Amerika gebruiken studenten coke zoals wij wiet gebruiken. Je kunt daar geen feestje aflopen zonder dat er een spiegel met lijntjes poeder rond gaat. Echter, vaders en moeders der Lage Landen: de Amerikaanse coke-cultuur krijgt ook bij ons steeds meer voet aan de grond! Jullie oogappeltjes als Lodewijk de rechten-student en Sophie die culturele antropologie doet, zitten niet meer exclusief aan de pils en de rosé in het weekend.
De vraag is of dit een probleem is. Is lijntjes snuiven echt zoveel slechter dan je vol laten lopen met bier of het roken van een joint? Als ik hier om me heen kijk, dan ben ik geneigd te zeggen: nee, dat is het niet. In Engleby van Sebastian Faulks (goed boek, aanrader) kom ik deze zin tegen: “Een alcoholist is iemand die zijn enige vriend zou bestelen, omdat de drank nu eenmaal belangrijker voor hem is. Daar kan ik geen respect voor hebben.” Aldus de pillen slikkende hoofdpersoon. Alcohol is ook een drug en kan net zo destructief zijn. Dat vergeten we soms. Het is maar hoe je ermee omgaat.
Wat me nog het meest dwars zit over de ontluikende coke-cultuur thuis, is de hypocrisie van de nieuwe generatie gebruikers. De jonge coke-snuiver anno 2010 staat er namelijk op dat zijn tonijn 'dolfijn-vriendelijk' gevangen is, dat de derde wereld-boer een eerlijke prijs heeft gekregen voor de koffie en dat zijn bank geen vervuilende industrie financiert, maar dezelfde persoon sluit zijn ogen voor het feit dat hij met zijn coke-afname indirect drugs-kartels en guerrilla-groeperingen in Zuid-Amerika van geld voor wapens voorziet.
En hier had ik willen eindigen. Totdat ik onlangs een lijkbleke Jimmy tegenkwam. Samen met zijn vriendin Vicky had hij zich met de panga laten overzetten naar Big Corn om van de pinautomaat daar gebruik te maken. Ze besloten er een nacht te blijven zodat ze de volgende ochtend nog eens geld konden opnemen, om dan terug te keren naar de idylle van Little Corn. Jimmy en Vicky gebruiken nauwelijks nog drugs, maar werden op het saaie Big Corn overvallen door een 'ach-we-zijn-op-vakantie-gevoel' en installeerden zich in hun hotelkamer met een hoeveelheid van de puurste cocaïne.
Toen de eerste zonnestralen al naar binnen schenen, kreeg Jimmy hartkloppingen, brak hem het zweet uit, verkrampte zijn handen en voelden hij steken in zijn bovenarmen. Toen Vicky een paniekaanval te boven was gekomen, zette ze hem in een taxi. In de kliniek op Big Corn kreeg Jimmy een spuit in zijn achterste en werd de hartaanval op het laatste moment afgewend.
'Ik ben er klaar mee, helemaal klaar', zegt Jimmy en ik geloof hem. 'Mijn lichaam kan dit niet meer aan. In het verleden heb ik er al te veel schade aan toegebracht.' Vicky knikt instemmend en wrijft over zijn rug. 'Ik weet dat veel mensen zonder problemen coke gebruiken, maar wat niemand schijnt te beseffen is dat één lijntje dat verkeerd valt, je je leven kosten. Schrijf dat maar op.'
Dat de coke hier uit de zee komt moet ik misschien even uitleggen. Little Corn ligt op de smokkelroute van Colombia naar de V.S. De Colombianen zijn niet te beroerd om ook dit eiland als afzetmarkt mee te nemen. Maar dat is nog niet de echte witte kreeft. In Little Corn Island vinden de smokkelaars een veilige haven als het water ze te heet onder de boot wordt. 'Als je alle locals opeens in één richting ziet rennen, dan weet je dat er een drugsboot gestrand is', zegt duikinstructeur Adam – zelf enthousiast gebruiker. 'De Colombianen vluchten het oerwoud in en de lokalen halen ondertussen de boot leeg volgens een systeem van pakken wat je pakken kan.' Een klein deel van de buit wordt achtergehouden, de rest verkoopt men terug voor een fractie van de marktwaarde: een koopje voor de Colombianen – die hun coke alsnog in de V.S. kunnen afzetten –, maar een fortuin voor de gemiddelde bewoner van Little Corn Island. En zo is iedereen blij.
Men zegt dat een ieder die hier een mooi huis bezit – dat wil zeggen: een huis dat meer is dan houten planken en een dak van golfplaat –, dat aan drugsgeld te danken heeft. Ik weet niet of het waar is. Het eiland, zo heb ik gemerkt, heeft een talent voor het fabriceren van bakerpraatjes. Maar het staat buiten kijf dat het vinden van een kilo coke in de ogen van veel eilanders een snelweg naar een leven van weelde is.
'Ik heb gisteren mijn buurman ontmoet', vertelt Charlie, de nieuwe manager van Casa Iguana – zelf een recreatief gebruiker. 'Zijn vrouw schudde mijn hand en stelde zich voor als Shirley. Hij schudde mijn hand en zei “ik vond ooit veel coke, maar ik werd gepakt”'. Kennelijk is Charlie's buurman nog zo gefrustreerd over de rijkdom die hem door de vingers is geglipt, dat hij meent zich te moeten voorstellen als 'de man die ooit veel coke vond'.
Daar droomt Dario ook over. Hij is eenentwintig, draagt T-shirts in de kleuren van de Jamaicaanse vlag en is helaas niet zo snugger. 'Heb je de helikopter van de kustwacht gezien vandaag, Jorden!', zegt hij als we in het donker over een bospad teruglopen naar het dorp. 'Je moet opletten man! Een helikopter betekent dat er een drugsboot in de buurt is.'
Dario is ook een tikje lui en is begonnen met dealen om de huur te betalen. 'Kijk dit eens!' Hij haalt een plastic zakje met zo'n twintig bolletjes coke tevoorschijn. 'Het beste spul op het eiland! Zacht, niet bitter. Niet het soort spul waar je van gaat tandenknarsen.' Hij steekt zijn neus in het zakje, snuift de geur op en staat erop dat ik hetzelfde doe. 'Zo hoort echte coke te ruiken, of niet?' Ik heb geen idee hoe echte coke hoort te ruiken, wat mij betreft kan het net zo goed gemalen pepermunt zijn.
Ik wil Dario niet tegen de kroesharen instrijken en zeg dat het goed ruikt. 'Hier, wil je proeven?' Hij haalt een condoom uit zijn zak en snuift een beetje coke op vanaf het puntje van de verpakking. 'Ik heb geen interesse om je handelswaar te kopen Dario', zeg ik. 'Nee, dat weet ik', zegt hij. 'Alleen proeven.' Ik heb dikke lijnen coke zien verdwijnen in de bevallige neusjes van meisjes van vijftig kilo en besluit dat een mespuntje – zelfs als het spul zo puur is als Dario beweert – me niet nadelig zal beïnvloeden. Ik snuif diep en voel de coke dan m'n keel in druipen. 'Inderdaad, niet bitter Dario', zeg ik.
Voordat we afscheid nemen uit Dario zijn frustratie over zijn geringe succes met de toeristes op eiland. 'Ze weten allemaal dat ik een vriendin heb. Ik ben eenentwintig man, ik moet weten wat er te koop is.' Niet voor de eerste keer probeer ik hem uit te leggen dat het een klein eiland is en dat hij het moet uitmaken met Nicole – een mollige Amerikaanse, met wie ik medelijden heb – als hij per se wil rondneuken. 'Je kunt niet alles tegelijk hebben.' Maar dat is precies wat Dario wil.
Ik vertel het hele verhaal aan Zwitserse Lili. We hebben net fantastische kreeft op van acht dollar en drinken rode wijn op een houten veranda die vanaf een klif uitsteekt boven de zee. Aan één oor heeft ze een kralenketting hangen die reikt tot haar schouder en eindigt in een veer. We zijn vrienden en nu maakt ze zich zorgen. 'Als je maar weg blijft van dat spul', zegt ze dreigend. Ik zeg dat ze zich geen zorgen hoeft te maken. En weet ze trouwens dat Adam, haar duikinstucteur, er bepaald niet vies van is?
Ik vertel Lili over een avond in de Happy Hut, een reggaebar. Ik zit om een verweerde houten tafel met een Nieuw-Zeelandse, buiten bereik van het muziekgeweld. Na enige tijd schuift Adam aan. De Nieuw-Zeelandse vraagt of alle geruchten over de coke waar zijn. Ik laat het aan Adam over om die vraag te beantwoorden. Dan staat hij plotseling op en verdwijnt. De Nieuw-Zeelandse leunt naar me toe. 'Hij fluisterde dat ik hem moest volgen', zegt ze verbaasd. Ik maak de vertaalslag: 'Dat betekent waarschijnlijk dat je van zijn coke mag snoepen.' Ze antwoordt dat ze daar wel interesse in heeft en verdwijnt tussen de bananenbomen.
Lili schudt haar hoofd. 'Ken jij nog mensen hier die niet gebruiken?', vraagt ze. 'Het worden er steeds minder', zeg ik. Lili pruilt een beetje. 'Als jij ook begint, dan verlaat ik het eiland. Maar laten we eerlijk zijn: je bent vooral boos op Adam omdat hij je meisje afpakte.' Ik lach en denk even na. 'Nee dat is het niet. Ik was verontwaardigd omdat hij mij niks aanbood. Ik zou toch hebben bedankt, en dat weet hij, maar daarom kun je nog wel zo beleefd zijn om het aan te bieden.'
'Dat is dus het typisch geniepige gedrag van de cokehead', zegt Jimmy uit Essex als ik hem later hetzelfde verhaal vertel. Jimmy is een goede vriend geworden. Het is een slimme jongen voor wie het leven niet eenvoudig begon. 'Ik snoof liever verdunde Tipex, dan dat ik in de schoolboeken zat.' Nu hij vijfendertig is, heeft hij een goedlopend eigen bedrijf in houten vloeren en is hij van al zijn verslavingen af. 'Wat me het meest tegen staat van het spul is dat het mensen tot eikels maakt', zeg ik. 'Ze steken monologen af, praten alleen nog maar over zichzelf en stoppen met luisteren naar anderen.' 'Helemaal waar', zegt Jimmy. 'Dat spul heeft niemand ooit enig goed gedaan.'
Een dag later vragen twee Duitse meisjes van negentien me waar ze coke kunnen kopen. 'Dat spul heeft niemand ooit enig goed gedaan', zeg ik iets te vaderlijk. Het schiet direct in het verkeerde keelgat. 'Dat zeg je omdat we negentien zijn. Ik haat het als mensen dat doen', zegt de kleinste van de twee. 'Nee, dat zou ik ook gezegd hebben als je een man van vijftig was', lieg ik. Het is een kwestie van tijd – weinig tijd – voordat ze een dealer vinden, maar ik wil het ze niet makkelijker maken dan dat het al is.
Ik had ze door kunnen verwijzen naar Dustin, de manager van het hotel waar ik verblijf. Als de bar boven open is, verdwijnen er regelmatig mensen met hem naar achteren. Het hotel richtte zich vroeger op de rijkere toerist, maar ging over de kop. De warme douches werden ontkoppeld, het restaurant ging eruit, er kwam een bar met pooltafels en een manager die zijn inkomen aanvult met handel in illegale middelen. Nu zitten er backpackers in de kamers met eigen badkamer, TV en airconditioning. Hierdoor voelt het een beetje als een luxe kraakpand. Ik betaal er nog geen 7 dollar per nacht voor.
Na deze schets van een Sodom en Gomorra in de Cariben is het tijd voor een paar relativerende opmerkingen. Ondanks de drugs is het eiland mooi, schoon en veilig. De toerist die geen interesse heeft in geestverruimende middelen, merkt niet eens dat iedereen om hem heen vaker high is dan nuchter. En mensen als Dustin en Adam zijn geen junkies. Mijn hotel ervaar ik als goed georganiseerd, gastvrij en vriendelijk. Adam is het hoofd van een duikschool die te boek staat als zeer professioneel.
Nederland is een land van drinkers met een kleine subcultuur rondom marihuana. De buitenwereld denkt misschien dat Amsterdam de drugshoofdstad van Europa is, maar in werkelijkheid is de Nederlander altijd conservatief geweest ten opzichte van hard drugs. In Amerika gebruiken studenten coke zoals wij wiet gebruiken. Je kunt daar geen feestje aflopen zonder dat er een spiegel met lijntjes poeder rond gaat. Echter, vaders en moeders der Lage Landen: de Amerikaanse coke-cultuur krijgt ook bij ons steeds meer voet aan de grond! Jullie oogappeltjes als Lodewijk de rechten-student en Sophie die culturele antropologie doet, zitten niet meer exclusief aan de pils en de rosé in het weekend.
De vraag is of dit een probleem is. Is lijntjes snuiven echt zoveel slechter dan je vol laten lopen met bier of het roken van een joint? Als ik hier om me heen kijk, dan ben ik geneigd te zeggen: nee, dat is het niet. In Engleby van Sebastian Faulks (goed boek, aanrader) kom ik deze zin tegen: “Een alcoholist is iemand die zijn enige vriend zou bestelen, omdat de drank nu eenmaal belangrijker voor hem is. Daar kan ik geen respect voor hebben.” Aldus de pillen slikkende hoofdpersoon. Alcohol is ook een drug en kan net zo destructief zijn. Dat vergeten we soms. Het is maar hoe je ermee omgaat.
Wat me nog het meest dwars zit over de ontluikende coke-cultuur thuis, is de hypocrisie van de nieuwe generatie gebruikers. De jonge coke-snuiver anno 2010 staat er namelijk op dat zijn tonijn 'dolfijn-vriendelijk' gevangen is, dat de derde wereld-boer een eerlijke prijs heeft gekregen voor de koffie en dat zijn bank geen vervuilende industrie financiert, maar dezelfde persoon sluit zijn ogen voor het feit dat hij met zijn coke-afname indirect drugs-kartels en guerrilla-groeperingen in Zuid-Amerika van geld voor wapens voorziet.
En hier had ik willen eindigen. Totdat ik onlangs een lijkbleke Jimmy tegenkwam. Samen met zijn vriendin Vicky had hij zich met de panga laten overzetten naar Big Corn om van de pinautomaat daar gebruik te maken. Ze besloten er een nacht te blijven zodat ze de volgende ochtend nog eens geld konden opnemen, om dan terug te keren naar de idylle van Little Corn. Jimmy en Vicky gebruiken nauwelijks nog drugs, maar werden op het saaie Big Corn overvallen door een 'ach-we-zijn-op-vakantie-gevoel' en installeerden zich in hun hotelkamer met een hoeveelheid van de puurste cocaïne.
Toen de eerste zonnestralen al naar binnen schenen, kreeg Jimmy hartkloppingen, brak hem het zweet uit, verkrampte zijn handen en voelden hij steken in zijn bovenarmen. Toen Vicky een paniekaanval te boven was gekomen, zette ze hem in een taxi. In de kliniek op Big Corn kreeg Jimmy een spuit in zijn achterste en werd de hartaanval op het laatste moment afgewend.
'Ik ben er klaar mee, helemaal klaar', zegt Jimmy en ik geloof hem. 'Mijn lichaam kan dit niet meer aan. In het verleden heb ik er al te veel schade aan toegebracht.' Vicky knikt instemmend en wrijft over zijn rug. 'Ik weet dat veel mensen zonder problemen coke gebruiken, maar wat niemand schijnt te beseffen is dat één lijntje dat verkeerd valt, je je leven kosten. Schrijf dat maar op.'
woensdag 10 februari 2010
Fuik
Lilly uit Geneve blijft. Ze is idolaat van duiken geworden. Na één proefduik besloot ze het traject te gaan volgen dat leidt tot de graad 'meester duiker'. Dat betekent dat ze het eiland op zijn vroegst over twee maanden verlaat.
Jim en Vicky uit Essex blijven. Little Corn Island was de eerste stop van hun vakantie in Nicaragua. Na twee weken in een staat van verwondering en euforie te hebben rondgelopen, kochten ze een noodlijdend hotel. Nu hoeven ze nooit meer weg. De rest van Nicaragua hebben ze niet gezien.
Brendan uit Red Deer, Canada blijft. Hij brandde in drie maanden zijn spaarcenten op, maar heeft nu een baantje als barkeeper bij Casa Iguana (Huize Leguaan). Zijn loon bestaat uit maaltijden, onderdak en een paar magere fooien. Hij klaagt niet, want zo hoeft hij tenminste niet van het eiland af.
Niet iedereen blijft voor onbepaalde tijd, maar iedereen – vrijwel zonder uitzondering – blijft langer dan gepland. Ik ook. In ieder geval tot maart. Dan heb ik zeven weken op dit minuscule eilandje doorgebracht en sta ik waarschijnlijk te trappelen om mijn biezen te pakken. Voorlopig waan ik me echter in de beste benadering van het paradijs dat op aarde te vinden is: Hof van Eden, een paar minuten na de zondeval.
Wat zie je als je hier voet aan wal zet? Waarschijnlijk eerst de witte palmenstranden en het heldere water. Je kijkt op het menu van een restaurant met vier tafels onder afdakjes van palmbladeren en ziet dat je voor acht dollar – zes euro! – een hele kreeft kan krijgen (op dit eiland kun zelfs kreeft op je pizza bestellen, we vreten ons een ongeluk aan kreeft). Je kunt ze ook levend zien als je met een snorkelsetje de zee in loopt. Met enig geluk – maar niet al te veel – zie je ook voedsterhaaien en adelaarsroggen tussen de tropische vissen en het koraal.
De wereld boven water is net zo kleurrijk. De zon schijnt altijd, kinderen verkopen kokosbrood, iedereen groet elkaar. Je gaat langzamer lopen en het vinden van een Eva-voor-een-week om dit gevoel mee te delen, is het enige verlangen dat nog resteert. (Klinkt te mooi om waar te zijn? Klopt, maar de schaduwkanten bewaar ik voor later).
Wat zou je niet zien? Het zou je opvallen dat er geen auto's, motoren of scooters op dit eiland zijn. En je stelt tevreden vast dat er niet te veel toeristen rondlopen. Er gaan twee bootjes – 'panga's' worden ze genoemd – per dag van Big Corn naar Little Corn. In totaal brengen ze zo'n dertig bezoekers mee. Dat betekent dat het eiland doorgaans een populatie van circa tweehonderd toeristen kent. Tweehonderd vreemdelingen op zevenhonderd inwoners is een gezonde verhouding. Zeker als je bedenkt dat er ook eilandjes in de Cariben zijn, waarvan de populatie in één klap verdrievoudigt, telkens wanneer een cruiseschip de haven aandoet.
Deze plek is speciaal. Ik weet niet goed waarom. Het is moeilijk om het precies te duiden. Je hebt het gevoel dat alles in verhouding is. Het straalt af van de mensen en de atmosfeer (over de atmosfeer gesproken: die is hier 's nachts vol met vallende sterren). Wat ik wel weet is dat dit het mooiste Caribische eiland is dat ik ooit heb gezien. En wat ik ook weet is dat iedereen hier dat sentiment deelt.
Op een reis van een half jaar is zeven weken stilstand veel. Er is altijd weer de twijfel: je wilt blijven, maar er zijn nog zoveel plekken die je echt 'moet' zien, als je in dit deel van de wereld bent. Niks moet, er is altijd een volgende keer. De Robinson Crusoë's van Little Corn Island weten dat.
Jim en Vicky uit Essex blijven. Little Corn Island was de eerste stop van hun vakantie in Nicaragua. Na twee weken in een staat van verwondering en euforie te hebben rondgelopen, kochten ze een noodlijdend hotel. Nu hoeven ze nooit meer weg. De rest van Nicaragua hebben ze niet gezien.
Brendan uit Red Deer, Canada blijft. Hij brandde in drie maanden zijn spaarcenten op, maar heeft nu een baantje als barkeeper bij Casa Iguana (Huize Leguaan). Zijn loon bestaat uit maaltijden, onderdak en een paar magere fooien. Hij klaagt niet, want zo hoeft hij tenminste niet van het eiland af.
Niet iedereen blijft voor onbepaalde tijd, maar iedereen – vrijwel zonder uitzondering – blijft langer dan gepland. Ik ook. In ieder geval tot maart. Dan heb ik zeven weken op dit minuscule eilandje doorgebracht en sta ik waarschijnlijk te trappelen om mijn biezen te pakken. Voorlopig waan ik me echter in de beste benadering van het paradijs dat op aarde te vinden is: Hof van Eden, een paar minuten na de zondeval.
Wat zie je als je hier voet aan wal zet? Waarschijnlijk eerst de witte palmenstranden en het heldere water. Je kijkt op het menu van een restaurant met vier tafels onder afdakjes van palmbladeren en ziet dat je voor acht dollar – zes euro! – een hele kreeft kan krijgen (op dit eiland kun zelfs kreeft op je pizza bestellen, we vreten ons een ongeluk aan kreeft). Je kunt ze ook levend zien als je met een snorkelsetje de zee in loopt. Met enig geluk – maar niet al te veel – zie je ook voedsterhaaien en adelaarsroggen tussen de tropische vissen en het koraal.
De wereld boven water is net zo kleurrijk. De zon schijnt altijd, kinderen verkopen kokosbrood, iedereen groet elkaar. Je gaat langzamer lopen en het vinden van een Eva-voor-een-week om dit gevoel mee te delen, is het enige verlangen dat nog resteert. (Klinkt te mooi om waar te zijn? Klopt, maar de schaduwkanten bewaar ik voor later).
Wat zou je niet zien? Het zou je opvallen dat er geen auto's, motoren of scooters op dit eiland zijn. En je stelt tevreden vast dat er niet te veel toeristen rondlopen. Er gaan twee bootjes – 'panga's' worden ze genoemd – per dag van Big Corn naar Little Corn. In totaal brengen ze zo'n dertig bezoekers mee. Dat betekent dat het eiland doorgaans een populatie van circa tweehonderd toeristen kent. Tweehonderd vreemdelingen op zevenhonderd inwoners is een gezonde verhouding. Zeker als je bedenkt dat er ook eilandjes in de Cariben zijn, waarvan de populatie in één klap verdrievoudigt, telkens wanneer een cruiseschip de haven aandoet.
Deze plek is speciaal. Ik weet niet goed waarom. Het is moeilijk om het precies te duiden. Je hebt het gevoel dat alles in verhouding is. Het straalt af van de mensen en de atmosfeer (over de atmosfeer gesproken: die is hier 's nachts vol met vallende sterren). Wat ik wel weet is dat dit het mooiste Caribische eiland is dat ik ooit heb gezien. En wat ik ook weet is dat iedereen hier dat sentiment deelt.
Op een reis van een half jaar is zeven weken stilstand veel. Er is altijd weer de twijfel: je wilt blijven, maar er zijn nog zoveel plekken die je echt 'moet' zien, als je in dit deel van de wereld bent. Niks moet, er is altijd een volgende keer. De Robinson Crusoë's van Little Corn Island weten dat.
dinsdag 2 februari 2010
Vuur
Mijn voeten zien eruit als een oorlogsgebied. Ze zijn smerig. De grijze laag vuil laat zich met het koude douchewater hier slecht verwijderen. Met een zaklamp onderwerp ik de voeten aan een onderzoek: een landschap van muggenbulten en rode bijtplekken van de zandvlooien. Sommige hebben een korstje van het vele krabben, her en der zie ik zilverachtige kleine littekens.
Niet alle schade is door beestjes veroorzaakt. De nagel van de grote linkerteen was gisteren nog paarsblauw: gestoten tijdens de afdaling van een vulkaan. Nu is hij marmerwit, want de nagel is aan het loslaten. Tijdens het zwemmen voelde ik opeens het zeewater onder de nagel dringen. Over beide voeten lopen roodverbrande strepen, ze volgen het v-patroon van de teenslippers die de huid eronder wit en kwetsbaar hebben gehouden. De kleine teen van de rechtervoet is blauw en gebroken. De boosdoener was een boomwortel tijdens een nachtelijke wandeling over een onverlicht bospad.
Hetzelfde pad moet straks weer bewandeld worden. Terug naar de andere kant van het eiland, terug naar de bewoonde wereld. 'Hopelijk dit keer zonder aangevallen te worden door zwerfhonden', denk ik en laat dan de fixatie op mijn voeten los. Ik zit al te lang nurks en autistisch op een boomstam. In mijn rug raast een kampvuur en zijn de mensen vrolijk. Een meisje dat me naar beneden zag staren zegt: 'Je moet beter voor je voeten zorgen, ze zijn je meest kostbare bezit als reiziger.'
Het geluid van brekende golven. Er steken flessen rum in het zand. We spelen piraat. Echte zeebandieten hielden zich ook schuil op dit eiland. En nog steeds. Drugssmokkelaars op de route van Colombia naar de V.S. vinden hier een veilige haven als de kustwacht ze op de hielen zit. De lokale bevolking van Little Corn Island doet of haar neus bloed en pikt zo een graantje – of grammetje – mee.
Het vuur wordt opgestookt tot een klein inferno. Vonken schieten de lucht in. Er is geen stroom deze avond. In het donker zweven lichtpuntjes. Soms zijn het vuurvliegen, vaker zijn het de sigaretten van degenen die verder van het vuur zitten. Iemand bestudeert het rode pakje sigaretten van een lokaal merk. In het Spaans van de oude wereld zegt hij: 'Kijk eens, ik dacht het al! British-American tobacco! Altijd weer British-American tobacco.' Het ongefundeerde gekanker op globalisering onder rugzakreizigers is een vermoeiend cliché, maar ik heb zojuist besloten me niet op te winden deze avond en laat het gaan.
Een Amerikaanse haalt haar gitaar tevoorschijn. Liefhebbers reageren op het eerste akkoord als katten op de koelkastdeur en snellen toe. Ze speelt eigen werk met tekstregels als: 'He was a black and white boy, from a silent picture time.' Daarna speelt ze meezingers: van The Boxer van Simon & Garfunkel tot Smelly Cat van Phoebe uit de serie Friends. Momenten van piëteit wisselen zich af met uitbundige verbazing over het gezamenlijk volbrengen van een lied. Uit alle windstreken zijn we gekomen, om op dit strand dezelfde liedjes te zingen en iedereen kent de tekst. Ook dat is globalisering.
Er vindt een soort variant op celdeling plaats in de groep. Begonnen als een homogene massa, een kringgesprek, daarna uiteengevallen in een aantal facties van gelijkgestemden en nu de avond nacht is geworden, kijk ik vooral naar een verzameling duo's. Ze zijn op de tast begonnen aan het kronkelend pad dat met veel omwegen moet uitkomen bij twee naakte lichamen. Verleiden is een spelletje verstoppertje waarin iedereen gevonden wil worden.
Ik zie hoe de gitariste in het duister haar kleren uittrekt en met een surfer de zee in loopt. Zij is achtentwintig en virtuoos, hij is twintig en heeft een goed evenwichtsgevoel. Ik vraag me af of hij beseft dat hij haar aandacht aan de omstandigheden en deze plek – ver van de echte wereld – te danken heeft. Ik vraag me af of zij dat beseft. De wind draagt haar lach terug naar het vuur. We zien ze niet meer die avond.
Het is een zachte nacht, gemaakt voor zachte gedachten. Ik sta op, hink eerst een beetje en begin dan aan de wandeling. Het hoofd is vol met donzige dingen; de kater en het cynisme zijn voor morgen. Drugs, alcohol en seks kunnen veel lelijks in mensen naar boven halen, maar ik heb geen onvertogen woord gehoord vanavond. Onze voeten mogen dan vuil en gehavend zijn. Dit is beschaving in de wildernis.
Niet alle schade is door beestjes veroorzaakt. De nagel van de grote linkerteen was gisteren nog paarsblauw: gestoten tijdens de afdaling van een vulkaan. Nu is hij marmerwit, want de nagel is aan het loslaten. Tijdens het zwemmen voelde ik opeens het zeewater onder de nagel dringen. Over beide voeten lopen roodverbrande strepen, ze volgen het v-patroon van de teenslippers die de huid eronder wit en kwetsbaar hebben gehouden. De kleine teen van de rechtervoet is blauw en gebroken. De boosdoener was een boomwortel tijdens een nachtelijke wandeling over een onverlicht bospad.
Hetzelfde pad moet straks weer bewandeld worden. Terug naar de andere kant van het eiland, terug naar de bewoonde wereld. 'Hopelijk dit keer zonder aangevallen te worden door zwerfhonden', denk ik en laat dan de fixatie op mijn voeten los. Ik zit al te lang nurks en autistisch op een boomstam. In mijn rug raast een kampvuur en zijn de mensen vrolijk. Een meisje dat me naar beneden zag staren zegt: 'Je moet beter voor je voeten zorgen, ze zijn je meest kostbare bezit als reiziger.'
Het geluid van brekende golven. Er steken flessen rum in het zand. We spelen piraat. Echte zeebandieten hielden zich ook schuil op dit eiland. En nog steeds. Drugssmokkelaars op de route van Colombia naar de V.S. vinden hier een veilige haven als de kustwacht ze op de hielen zit. De lokale bevolking van Little Corn Island doet of haar neus bloed en pikt zo een graantje – of grammetje – mee.
Het vuur wordt opgestookt tot een klein inferno. Vonken schieten de lucht in. Er is geen stroom deze avond. In het donker zweven lichtpuntjes. Soms zijn het vuurvliegen, vaker zijn het de sigaretten van degenen die verder van het vuur zitten. Iemand bestudeert het rode pakje sigaretten van een lokaal merk. In het Spaans van de oude wereld zegt hij: 'Kijk eens, ik dacht het al! British-American tobacco! Altijd weer British-American tobacco.' Het ongefundeerde gekanker op globalisering onder rugzakreizigers is een vermoeiend cliché, maar ik heb zojuist besloten me niet op te winden deze avond en laat het gaan.
Een Amerikaanse haalt haar gitaar tevoorschijn. Liefhebbers reageren op het eerste akkoord als katten op de koelkastdeur en snellen toe. Ze speelt eigen werk met tekstregels als: 'He was a black and white boy, from a silent picture time.' Daarna speelt ze meezingers: van The Boxer van Simon & Garfunkel tot Smelly Cat van Phoebe uit de serie Friends. Momenten van piëteit wisselen zich af met uitbundige verbazing over het gezamenlijk volbrengen van een lied. Uit alle windstreken zijn we gekomen, om op dit strand dezelfde liedjes te zingen en iedereen kent de tekst. Ook dat is globalisering.
Er vindt een soort variant op celdeling plaats in de groep. Begonnen als een homogene massa, een kringgesprek, daarna uiteengevallen in een aantal facties van gelijkgestemden en nu de avond nacht is geworden, kijk ik vooral naar een verzameling duo's. Ze zijn op de tast begonnen aan het kronkelend pad dat met veel omwegen moet uitkomen bij twee naakte lichamen. Verleiden is een spelletje verstoppertje waarin iedereen gevonden wil worden.
Ik zie hoe de gitariste in het duister haar kleren uittrekt en met een surfer de zee in loopt. Zij is achtentwintig en virtuoos, hij is twintig en heeft een goed evenwichtsgevoel. Ik vraag me af of hij beseft dat hij haar aandacht aan de omstandigheden en deze plek – ver van de echte wereld – te danken heeft. Ik vraag me af of zij dat beseft. De wind draagt haar lach terug naar het vuur. We zien ze niet meer die avond.
Het is een zachte nacht, gemaakt voor zachte gedachten. Ik sta op, hink eerst een beetje en begin dan aan de wandeling. Het hoofd is vol met donzige dingen; de kater en het cynisme zijn voor morgen. Drugs, alcohol en seks kunnen veel lelijks in mensen naar boven halen, maar ik heb geen onvertogen woord gehoord vanavond. Onze voeten mogen dan vuil en gehavend zijn. Dit is beschaving in de wildernis.
donderdag 28 januari 2010
Wat geschiedde
APPENDIX
De verloren maand: wind en windstilte
door prof. dr. FJ Klein Bralburg van Erven Lieghtligt tot Zemelniet
Dit is een reconstructie van wat in het discours over Rijst, bonen en zeven sloten 'de verloren maand' is gaan heten. Als bijzonder hoogleraar in de Baked Air Literature is het mijn eer om deze reconstructie te mogen schrijven. Uitgeverij HKVDV, sinds jaar en dag de vaste uitgever van het werk Jorden F. Tiebout, vond dat de tiende verjaardag van Rijst, bonen en zeven sloten niet geruisloos voorbij mocht gaan en besloot tot de heruitgave die u nu in handen heeft; tevens de eerste 'druk' die verschijnt op digitaal papier.
Voor wie niet bekend is met de term, zal ik uitleggen wat we verstaan onder 'de verloren maand'. Rijst, bonen en zeven sloten is een verzameling notities, gedachten, korte verhalen en verslagen van Tiebouts reis als jonge man door Midden-Amerika. Het is gedurende deze reis dat hij zijn debuutroman Een grote lul, maar een klein hartje schrijft. Nadat dit boek twintig weken op nummer één in bestseller-lijsten had gestaan, viel het besluit om ook Rijst, bonen en zeven sloten uit te geven, teneinde het hongerige lezerspubliek tevreden te houden. Tiebout werkte ondertussen aan het bekroonde meesterwerk Gluteus Maximus.
Bij aanvang van de reis is Tiebout uiterst productief, maar na kerst 2009 valt hij stil. Pas in februari lijkt de verhalenmachine weer op volle toeren te draaien. Hij schrijft, als altijd, over wat hem op dat moment inspireert en interesseert en blikt niet terug. Wat gebeurde er in die verloren januarimaand in Nicaragua? Tiebout bewaart zelf het stilzwijgen. Sinds zijn vierde echtgenote hem verliet, verblijft hij in een Zen-klooster en schrijft uitsluitend nog haiku's en limericks.
Maandenlang heb ik gezocht naar hints in Tiebouts werk, ik reisde in zijn voetstappen, zag de boekhouding in van hotels en vliegmaatschappijen en zocht naar personen die hem mogelijk hebben gekend. En vond er enkele... Dit is het verhaal van de verloren maand.
Big Corn Island en Little Corn Island werden in 1988 met de grond gelijk gemaakt door orkaan Joan. Toen de Cessna uit Managua met haar viertien passagiers op 9 januari 2010 landde op het vliegveld van Big Corn lag er wederom een storm op de loer. Eén van de passagiers was Jorden F. Tiebout.
De storm ging niet de boeken in als orkaan en het is onduidelijk of het noodweer de classificatie 'tropische storm' kreeg, maar zeker is dat het gedurende vijf dagen slecht toeven was op het eiland. De belangrijkste nederzetting op Big Corn is Brig Bay. De baai, gewoonlijk een spiegel, was veranderd in een kolkende zee. Daken van golfplaat vlogen door de lucht. Golven overspoelden de hoofdweg. Vissers verankerden hun boten op open zee. Wie dat niet deed zag zijn inkomensvoorziening kapot slaan tegen de rotsen.
We weten dat het ook in Tiebouts hoofd stormde die dagen. Familieleden herinneren zich een stuk waarin hij aangeeft moeite te hebben met schrijven. 'De muzen hebben mij verlaten', zou hij hebben neergepend. Bij de eerste publicatie van Rijst, bonen en zeven sloten werd dit stuk niet aangemerkt als onderdeel van het reisverhaal en ging zodoende verloren. Het is aannemelijk dat Tiebout van plan was om Big Corn direct te verlaten om de rust op te zoeken van het idyllische Little Corn Island. Pas na vijf dagen brak de zon door, ging de wind liggen en vond hij een boot die hem kon overzetten. Op deze onbedorven Caribische parel, tijdens de laatste dagen van januari, kwamen de woorden weer los.
De woorden waren eerder gestokt kort na een zeer levendige beschrijving van een kerkdienst op kerstavond op Ometepe; een eiland gevormd door twee vulkanen in het grootste zoetwatermeer ter wereld. De meest pijnlijke omissie in Rijst, bonen en zeven sloten is het ontbreken van een gelijkend stuk over oudejaarsavond. Stilte, geen woord over de festiviteiten, die in Midden-Amerika toch zeer uitbundig zijn.
Het blijkt dat Tiebout tijdens de jaarwisseling nog altijd op Ometepe was, in een slaperig plaatsje genaamd Merida om precies te zijn. Merida is een goede uitvalsbasis om de San Ramon waterval te bezoeken, ooit een heilige plaats voor indianen. We kunnen aannemen dat ook Tiebout de wandeling van drie uur had aanvaard en klauterend over keien de kloof bereikte die eindigt bij een enorme rotswand, waarvan de top door watermist aan het zicht onttrokken is. Voelde hij het ontzag dat ik voelde bij het zien van dit altaar van de natuur?
Ik schreef mensen aan die gedurende die dagen ook in Merida verbleven en kwam in contact met Ian, een joviale Schot, die zich Tiebout goed herinnert: 'Man, hij heeft mijn leven gered die jaarwisseling! Zeker tachtig procent van ons hostel lag op bed lang voordat de klok twaalf uur sloeg. Hippies waren het, allemaal. Ze stonden om zes uur op om hun macrobiotische ontbijt te nuttigen en trokken dan de natuur in. Nieuwjaar was geen uitzondering. Samen met twee Japanse meiden gingen we het dorp in. We dansten op Rock 'n Roll-medleys in een soort schuur tot exact 34 minuten na middernacht. Daarna was het afgelopen. Ik weet nog dat hij die Japanse meiden ervan probeerde te overtuigen dat Rock Around The Clock niet van Elvis was, maar van Bill Haley & The Comets. Hij kon er slecht tegen als mensen dit soort dingen fout hadden. Eerlijk gezegd dacht ik ook dat het een liedje van Elvis was.'
Het is niet verwonderlijk dat Tiebout niets te schrijven had over deze magere jaarwisseling. Tussen de wereldverbeteraars in Merida vond hij weinig dat hem inspireerde, het was het nekschot voor de productie. Begin januari plaatst hij nog wel een bericht waarin een taxirit van Rivas naar Granada beschreven wordt. Het is echter mogelijk dat deze rit eerder en elders heeft plaatsgevonden. Naar alle waarschijnlijk veranderde Tiebout simpelweg de plaatsnamen. In ogenschouw nemend dat het taxi-stukje oud werk was, kunnen we met recht spreken van een maand van windstilte.
Tiebout kwam geblesseerd aan in Granada. Dat weten we dankzij het latere verhaal 'Vuur', dat opent met een beschrijving van zijn gehavende voeten en gezien wordt als het eerste stuk na de verloren maand. Critici suggereren dat de kapotte voeten een metafoor zijn voor de onrust en het onvermogen om te schrijven. Ik sluit me daarbij aan. Tiebout stootte zijn grote teen bij de afdaling van vulkaan Concepcion op Ometepe. In Granada was de teennagel nog blauw, op Little Corn Island zou hij eraf vallen.
Het wonderkind arriveerde alleen in Granada, maar vertrok in gezelschap. In de reservering voor de vlucht naar Big Corn komen we de naam Sally Mayfield tegen. Naar de omstandigheden van de ontmoeting tussen Tiebout en Mayfield kunnen we slechts gissen. Ik stel me graag voor dat hij haar verleidde in een boekwinkel en café gevestigd in een koloniaal pand. Zij drinkt koffie en zit gebogen over de journalistieke verslagen van Ruben Dario. Hij pakt het boek ongevraagd op, bladert er in en zegt 'ik dacht dat Dario een dichter was?'
Rijst, bonen en zeven sloten wekt de indruk dat Tiebout continu in het gezelschap van mooie vrouwen verkeert. Het was het begin van zijn imago als moderne Casanova. Geconfronteerd met dit beeld zou Tiebout later zijn grote voorbeeld Leonard Cohen citeren: 'Mijn reputatie als ladiesman was een lachertje. Een ieder die dat betwijfelt neem ik graag mee naar de tienduizend nachten die ik alleen doorbracht.' Toch is het moeilijk voor te stellen dat de twee reisgenoten veel tijd buiten de slaapkamer doorbrachten tijdens die verregende dagen op Big Corn.
Mayfield volgde de schrijver niet naar Little Corn en vloog – voortijdig? – terug naar Managua. Keek Tiebout, net als ik, hoe men het vee van de startbaan verjoeg zodat de Cessna de ruimte had om het luchtruim te kiezen?
Little Corn is zo'n plek waar verveeld zijn niet vervelend is. Tiebout bracht er twee weken door. Dit keer scheen de zon en zagen de stranden weer wit en het water weer turquoise. We vinden zijn naam terug in de administratie van hotel Sunshine, dat nog immer bestiert wordt door een Texaan genaamd Dustin Jumper. 'Hij noemde me altijd Justin Dumper en vroeg om de haverklap of ik m'n caravan niet miste, omdat ik uit Texas kom. De storm had de hoofdgenerator beschadigd en na een week was men genoodzaakt hem uit te schakelen. Daarna had het eiland nog maar acht uur per dag stroom. Net genoeg om de lichten aan te doen. Er kwam geen water meer uit de douches en de kranen, dus we sjouwden ons een ongeluk met emmers. Veel toeristen verlieten toen het eiland. Jorden bleef. “Let op”, zei hij. “Dit wordt een geweldige week. De eikels gaan, de goede mensen blijven en we zijn allemaal op elkaar aangewezen.”'
'Dit wordt een geweldige week.' In een e-mail aan een goede vriend van 27 januari 2010 komen we deze zin tegen: 'Ik heb al vier dagen niet gedoucht, maar ik heb mijn emmer en het beste nieuws is: de muzen zijn terug om mijn rug te wassen.'
De verloren maand: wind en windstilte
door prof. dr. FJ Klein Bralburg van Erven Lieghtligt tot Zemelniet
Dit is een reconstructie van wat in het discours over Rijst, bonen en zeven sloten 'de verloren maand' is gaan heten. Als bijzonder hoogleraar in de Baked Air Literature is het mijn eer om deze reconstructie te mogen schrijven. Uitgeverij HKVDV, sinds jaar en dag de vaste uitgever van het werk Jorden F. Tiebout, vond dat de tiende verjaardag van Rijst, bonen en zeven sloten niet geruisloos voorbij mocht gaan en besloot tot de heruitgave die u nu in handen heeft; tevens de eerste 'druk' die verschijnt op digitaal papier.
Voor wie niet bekend is met de term, zal ik uitleggen wat we verstaan onder 'de verloren maand'. Rijst, bonen en zeven sloten is een verzameling notities, gedachten, korte verhalen en verslagen van Tiebouts reis als jonge man door Midden-Amerika. Het is gedurende deze reis dat hij zijn debuutroman Een grote lul, maar een klein hartje schrijft. Nadat dit boek twintig weken op nummer één in bestseller-lijsten had gestaan, viel het besluit om ook Rijst, bonen en zeven sloten uit te geven, teneinde het hongerige lezerspubliek tevreden te houden. Tiebout werkte ondertussen aan het bekroonde meesterwerk Gluteus Maximus.
Bij aanvang van de reis is Tiebout uiterst productief, maar na kerst 2009 valt hij stil. Pas in februari lijkt de verhalenmachine weer op volle toeren te draaien. Hij schrijft, als altijd, over wat hem op dat moment inspireert en interesseert en blikt niet terug. Wat gebeurde er in die verloren januarimaand in Nicaragua? Tiebout bewaart zelf het stilzwijgen. Sinds zijn vierde echtgenote hem verliet, verblijft hij in een Zen-klooster en schrijft uitsluitend nog haiku's en limericks.
Maandenlang heb ik gezocht naar hints in Tiebouts werk, ik reisde in zijn voetstappen, zag de boekhouding in van hotels en vliegmaatschappijen en zocht naar personen die hem mogelijk hebben gekend. En vond er enkele... Dit is het verhaal van de verloren maand.
Big Corn Island en Little Corn Island werden in 1988 met de grond gelijk gemaakt door orkaan Joan. Toen de Cessna uit Managua met haar viertien passagiers op 9 januari 2010 landde op het vliegveld van Big Corn lag er wederom een storm op de loer. Eén van de passagiers was Jorden F. Tiebout.
De storm ging niet de boeken in als orkaan en het is onduidelijk of het noodweer de classificatie 'tropische storm' kreeg, maar zeker is dat het gedurende vijf dagen slecht toeven was op het eiland. De belangrijkste nederzetting op Big Corn is Brig Bay. De baai, gewoonlijk een spiegel, was veranderd in een kolkende zee. Daken van golfplaat vlogen door de lucht. Golven overspoelden de hoofdweg. Vissers verankerden hun boten op open zee. Wie dat niet deed zag zijn inkomensvoorziening kapot slaan tegen de rotsen.
We weten dat het ook in Tiebouts hoofd stormde die dagen. Familieleden herinneren zich een stuk waarin hij aangeeft moeite te hebben met schrijven. 'De muzen hebben mij verlaten', zou hij hebben neergepend. Bij de eerste publicatie van Rijst, bonen en zeven sloten werd dit stuk niet aangemerkt als onderdeel van het reisverhaal en ging zodoende verloren. Het is aannemelijk dat Tiebout van plan was om Big Corn direct te verlaten om de rust op te zoeken van het idyllische Little Corn Island. Pas na vijf dagen brak de zon door, ging de wind liggen en vond hij een boot die hem kon overzetten. Op deze onbedorven Caribische parel, tijdens de laatste dagen van januari, kwamen de woorden weer los.
De woorden waren eerder gestokt kort na een zeer levendige beschrijving van een kerkdienst op kerstavond op Ometepe; een eiland gevormd door twee vulkanen in het grootste zoetwatermeer ter wereld. De meest pijnlijke omissie in Rijst, bonen en zeven sloten is het ontbreken van een gelijkend stuk over oudejaarsavond. Stilte, geen woord over de festiviteiten, die in Midden-Amerika toch zeer uitbundig zijn.
Het blijkt dat Tiebout tijdens de jaarwisseling nog altijd op Ometepe was, in een slaperig plaatsje genaamd Merida om precies te zijn. Merida is een goede uitvalsbasis om de San Ramon waterval te bezoeken, ooit een heilige plaats voor indianen. We kunnen aannemen dat ook Tiebout de wandeling van drie uur had aanvaard en klauterend over keien de kloof bereikte die eindigt bij een enorme rotswand, waarvan de top door watermist aan het zicht onttrokken is. Voelde hij het ontzag dat ik voelde bij het zien van dit altaar van de natuur?
Ik schreef mensen aan die gedurende die dagen ook in Merida verbleven en kwam in contact met Ian, een joviale Schot, die zich Tiebout goed herinnert: 'Man, hij heeft mijn leven gered die jaarwisseling! Zeker tachtig procent van ons hostel lag op bed lang voordat de klok twaalf uur sloeg. Hippies waren het, allemaal. Ze stonden om zes uur op om hun macrobiotische ontbijt te nuttigen en trokken dan de natuur in. Nieuwjaar was geen uitzondering. Samen met twee Japanse meiden gingen we het dorp in. We dansten op Rock 'n Roll-medleys in een soort schuur tot exact 34 minuten na middernacht. Daarna was het afgelopen. Ik weet nog dat hij die Japanse meiden ervan probeerde te overtuigen dat Rock Around The Clock niet van Elvis was, maar van Bill Haley & The Comets. Hij kon er slecht tegen als mensen dit soort dingen fout hadden. Eerlijk gezegd dacht ik ook dat het een liedje van Elvis was.'
Het is niet verwonderlijk dat Tiebout niets te schrijven had over deze magere jaarwisseling. Tussen de wereldverbeteraars in Merida vond hij weinig dat hem inspireerde, het was het nekschot voor de productie. Begin januari plaatst hij nog wel een bericht waarin een taxirit van Rivas naar Granada beschreven wordt. Het is echter mogelijk dat deze rit eerder en elders heeft plaatsgevonden. Naar alle waarschijnlijk veranderde Tiebout simpelweg de plaatsnamen. In ogenschouw nemend dat het taxi-stukje oud werk was, kunnen we met recht spreken van een maand van windstilte.
Tiebout kwam geblesseerd aan in Granada. Dat weten we dankzij het latere verhaal 'Vuur', dat opent met een beschrijving van zijn gehavende voeten en gezien wordt als het eerste stuk na de verloren maand. Critici suggereren dat de kapotte voeten een metafoor zijn voor de onrust en het onvermogen om te schrijven. Ik sluit me daarbij aan. Tiebout stootte zijn grote teen bij de afdaling van vulkaan Concepcion op Ometepe. In Granada was de teennagel nog blauw, op Little Corn Island zou hij eraf vallen.
Het wonderkind arriveerde alleen in Granada, maar vertrok in gezelschap. In de reservering voor de vlucht naar Big Corn komen we de naam Sally Mayfield tegen. Naar de omstandigheden van de ontmoeting tussen Tiebout en Mayfield kunnen we slechts gissen. Ik stel me graag voor dat hij haar verleidde in een boekwinkel en café gevestigd in een koloniaal pand. Zij drinkt koffie en zit gebogen over de journalistieke verslagen van Ruben Dario. Hij pakt het boek ongevraagd op, bladert er in en zegt 'ik dacht dat Dario een dichter was?'
Rijst, bonen en zeven sloten wekt de indruk dat Tiebout continu in het gezelschap van mooie vrouwen verkeert. Het was het begin van zijn imago als moderne Casanova. Geconfronteerd met dit beeld zou Tiebout later zijn grote voorbeeld Leonard Cohen citeren: 'Mijn reputatie als ladiesman was een lachertje. Een ieder die dat betwijfelt neem ik graag mee naar de tienduizend nachten die ik alleen doorbracht.' Toch is het moeilijk voor te stellen dat de twee reisgenoten veel tijd buiten de slaapkamer doorbrachten tijdens die verregende dagen op Big Corn.
Mayfield volgde de schrijver niet naar Little Corn en vloog – voortijdig? – terug naar Managua. Keek Tiebout, net als ik, hoe men het vee van de startbaan verjoeg zodat de Cessna de ruimte had om het luchtruim te kiezen?
Little Corn is zo'n plek waar verveeld zijn niet vervelend is. Tiebout bracht er twee weken door. Dit keer scheen de zon en zagen de stranden weer wit en het water weer turquoise. We vinden zijn naam terug in de administratie van hotel Sunshine, dat nog immer bestiert wordt door een Texaan genaamd Dustin Jumper. 'Hij noemde me altijd Justin Dumper en vroeg om de haverklap of ik m'n caravan niet miste, omdat ik uit Texas kom. De storm had de hoofdgenerator beschadigd en na een week was men genoodzaakt hem uit te schakelen. Daarna had het eiland nog maar acht uur per dag stroom. Net genoeg om de lichten aan te doen. Er kwam geen water meer uit de douches en de kranen, dus we sjouwden ons een ongeluk met emmers. Veel toeristen verlieten toen het eiland. Jorden bleef. “Let op”, zei hij. “Dit wordt een geweldige week. De eikels gaan, de goede mensen blijven en we zijn allemaal op elkaar aangewezen.”'
'Dit wordt een geweldige week.' In een e-mail aan een goede vriend van 27 januari 2010 komen we deze zin tegen: 'Ik heb al vier dagen niet gedoucht, maar ik heb mijn emmer en het beste nieuws is: de muzen zijn terug om mijn rug te wassen.'
Abonneren op:
Posts (Atom)