zaterdag 15 februari 2014

Beter dan

Juffrouw Miriam weet het wel: Ecuador is beter dan Peru. En ze is blij dat ik het met haar eens ben. De docente Spaans vindt Peru viezig en chaotisch vergeleken met Ecuador. Op een verontschuldigende toon zegt ze: “Sorry, maar ik hou nu eenmaal van Ecuador, en vooral van Cuenca.” (veel grammaticale voorbeeldzinnen die ze op het bord schrijft, volgen het stramien “Cuenca is beter / leuker / schoner / mooier / ouder / veiliger / vriendelijker dan Quito / Loja / Quayaquil / Lima / Bogota etc. etc.”)

Cuencanos zijn trots op hun stad. Het is een blije, vrolijke trots. Op verveeld snobisme heb ik ze – en de Latijns-Amerikaan in het algemeen – nooit kunnen betrappen.

Juffrouw Miriam geeft toe dat Peru de betere ruïnes en de betere musea heeft, maar verder... Ik doe een duit in het zakje en zeg iets over de ergerlijke Peruaanse gewoonte om een huis van twee verdiepingen uit betonblokken op te trekken, maar de wapening van het beton nog een paar meter door te laten lopen voor een eventuele, toekomstige, derde verdieping. Talloze huizen hebben een foeilelijk kapsel van roestbruine sprieten.

Juffrouw Miriam valt me geestdriftig bij: “Juist! En die derde verdieping komt er dus nooit! In Ecuador zie je dit veel minder, en in Cuenca mag het helemaal niet. Hier hebben we bouwregels. Een huis moet afgemaakt worden. Je mag het niet half bouwen en dan tien jaar negeren.”

Is Ecuador welvarender? Komt het daardoor? Het BNP per hoofd van Ecuador wordt op 8.600 dollar geschat, dat van Peru op 10.200 dollar (cijfers van 2011). Dus het verschil in inrichting van de openbare ruimte is eerder een kwestie van cultuur en regelgeving (Nederland is immers ook niet significant welvarender dan België).

Juf Miriam heeft het verder ook niet zo op de Peruaanse medemens. Die schijnt nogal hooghartig te kunnen zijn tegen latino's met gemengd bloed, omdat hijzelf vaker een volbloed indiaan is. Deze ervaring deel ik vanzelfsprekend niet. Integendeel, de Peruanen ervaar ik als hartelijke en eerlijke mensen (evenals de Ecuadorianen trouwens). Ze willen je graag helpen of informatie verschaffen, de horeca werkt niet stiekem met twee prijzen – goedkoper voor lokalen, duurder voor westerlingen – , als je per ongeluk teveel betaalt, krijg je het steevast terug, en taxichauffeurs noemen niet eerst een belachelijke prijs bij het instappen en hebben bovendien altijd genoeg wisselgeld (dat is bijvoorbeeld in Costa Rica wel anders).

Juf Miriam en ik zijn het wel weer eens over de staat van het wagenpark van Peru versus het wagenpark van Ecuador. Om kort te zijn: Peru stinkt permanent naar uitlaatgassen, want de auto's zijn er twintig jaar oud of van goedkope Chinese en Indiase merken die je in Europa niet ziet omdat ze niet aan de milieunormen voldoen. In Cuenca rijden de taxichauffeurs in een moderne Hyundai of een Chevrolet. In Peru rijdt een vloot curieuze taxiwagentjes rond: ronkende, merkloze, blauwrokende dingen – ze zien er uit als een Fiat Panda model 1985, maar dan lelijker. Vanwege het buitenleven, de (half)open bars en restaurants, kan je zelden ontsnappen aan de stank. Na drie weken was ik het behoorlijk beu dat m'n lunch naar Super 88 smaakte.

Waar je ook ter wereld komt, er blijft een grappige – meestal onschuldige – animositeit bestaan tussen buurlanden. Peru is beter dan Ecuador (dixit Peru), Ecuador is beter dan Peru (dixit Ecuador). En Nederland kan alle stormen aan zolang onze wegen maar beter zijn dan die van de Belgen en we af en toe kunnen foeteren op de moffenkuilen in het Scheveningse strand.

De “schrijver” in me probeert daar boven te staan – wars van de waan van de dag, wars van loyaliteit aan de natie-staat – en zoekt naar “universele waarheden”. En wanneer hij vergelijkt dan is het ene land nooit beter dan het andere, alleen maar “anders”. Maar ik kon niet verliefd worden op Peru. Wel op Ecuador – en op juf Miriam natuurlijk. 

vrijdag 7 februari 2014

Vanuit het raampje

Zoeven door de Andes. Weer de Andes. Objectief: machtige groene bergen, dramatische vergezichten. Subjectief: het doet me niks meer. Ik kijk ernaar als naar de vakantiefoto's van een ander. Lethargisch.

Drie weken geleden zouden we opgewonden hebben zitten fotograferen,” zeg ik.
Mijn Vlaamse geliefde antwoordt: “Het is nog altijd leuker om te zien dan de Belgische snelweg.”
Allicht. Genocide is nog leuker om te zien dan de Belgische snelweg.”

Op weg van Chachapoyas naar Bagua Grande in een minibusje. Samen met zestien Peruanen. Daarna een busje naar Jaen, dan één naar San Ignacio, de laatste nederzetting van betekenis voor de grens met Ecuador. Circa 8 uur onderweg voor amper 250 kilometer... Morgen volgt etappe twee, met nog eens dik 8 uur bussen.

De bestuurder is een ware coureur. De maximumsnelheid wordt opgevat als een vriendelijke aanbeveling. Hij gebruikt de hele breedte van de weg (prachtige bergweg, nieuw asfalt, je wilt er aan likken). De dubbele doorgetrokken streep is er ter versiering. Hij snijdt de bochten goed aan. Hoog in, laag uit. Laag in, hoog uit. Zoekt de meest flauwe route door de bocht, waar de middelpuntvliedende kracht het laagst is, zodat er zo min mogelijk geremd hoeft te worden. Ik weet dit, omdat ik veel computerspelletjes heb gespeeld.

Je mag van de Peruaanse automobilist niet verwachten dat hij zich aan de verkeersregels houdt. Je mag wel verwachten dat hij nuchter is, de code van de weg begrijpt, de gevaarlijke punten op de route kent, overdadig toetert voor blinde bochten, en de maximaal verantwoorde snelheid van zijn voertuig en zichzelf verstaat.

*

Aankomst in Bagua Grande. Verkeerschaos en getoeter. Een modderveld getekend door de profielen van honderd banden. Ik neem snel de backpacks over van het hulpaapje op het dak. Een vertegenwoordiger van de minibus naar Jaen trekt ongeduldig aan mijn mouw. Prijs is zeven sol – twee euro. Ze hebben haast, meer ritten betekent meer geld. Hup inladen, hup zitten en gaan. Mijn Vlaamse geliefde klaagt dat ze graag eerst nog naar het toilet had gewild.

De weg naar Jaen is vlak. Plankgas. De gemiddelde Peruaanse chauffeur kan het niet uitstaan om langer dan een halve minuut achter een langzamere voorganger te zitten. Continu zwenken naar de andere weghelft, zoeken naar een half gat.

Korte verwarring in Jaen. Het busje naar San Ignacio blijkt niet van dezelfde plek te vertrekken. Het legertje wachtende tuk-tuk chauffeurs weet wel waar we moeten zijn. Vijf minuten billenknijpen: de tuk-tuk (een echte Zhonghang) snort tussen zware trucks op een onzichtbare middelste rijbaan. De rugzak ligt los achterop op een bagagerek. Een andere tuk-tuk rijdt voorbij met een varken achterop.

Mijn geliefde ontlast haar Vlaamse blaas in een toilet dat zich tracht te kwalificeren voor de verkiezing 'smerigste toilet ter wereld'. Het dient te worden doorgespoeld met een emmer.

*

Nieuw mini-busje. Deze heeft een groot spinnenweb van barsten in de voorruit. Ooit heb ik een uur gewacht op een bus van Nottingham naar Mansfield omdat een eerdere bus weigerde te vertrekken vanwege een lullig barstje ter grootte van een middelvinger.

Plots houdt het asfalt op. In de nieuwe weg naar de grens – tot zeer recent nog geheel van zand – zit een gat van zo'n 30 kilometer. Een leger Caterpillars en Komatsu's is bezig de oude weg te verbreden en klaar te maken voor het asfalt der vooruitgang. Zonder de weg te sluiten welteverstaan. Het resultaat: gladde blubber, diepe groeven. Een rally-stage.

De nieuwe chauffeur navigeert behendig tussen de trucks, walsen en graafmachines door. Eén keer raakt hij een steen en zit ik met m'n hoofd tegen het dak. Dat heeft een witte gecapitonneerde bekleding, als van een lijkkist.

Soms maant een wegwerker in een oranje hesje en een rood bord met “pare” ons tot stoppen. Op die plekken wordt de weg beurtelings in één richting vrijgegeven. Bij elk stopmoment klampen lokale gezinnen zich vast aan de bus als een neonataal aapje aan zijn moeder. Ze verkopen koolhydraten. Meestal stukjes geschilde suikerriet.

De laatste afdaling naar San Ignacio. Het uitzicht is de kont van een Toyota-Hilux. Als de achterkant van de Toyota uitbreekt en de bestuurder de slip moet corrigeren, is dat geen reden voor onze chauffeur om te remmen, maar om het gat in te duiken en de Toyota eindelijk achter te laten. Victorie. Een troep gieren doet zich tegoed aan het afval langs de weg.

*

Tuk-tuk nummer 2 in San Ignacio. Treurig, maar niet onvriendelijk grensdorp. Een atmosfeer die lijkt te zeggen: ach we maken er het beste van. San Ignacio is op heuvels gebouwd. De tuk tuk (een echte Wanxin ditmaal) schakelt met een geluid van schrapend metaal over op een versnelling – een koffiemolentje – die er speciaal voor beklimmingen op lijkt te zitten. De weg is steil, ik grijp door het zeil de rugzakken achterop vast. We komen net boven zonder te hoeven duwen.

De hotelkamer kost 20 sol per nacht. Dat is 6 euro. Sfeerloos complex, uiteraard. Donker, nauwe gangen, een betonnen vloer. Maar zeer proper, naar goed Peruaans gebruik. Zoals in warme landen vaak gebruikelijk is, reiken de binnenmuren niet tot het plafond. De kieren zorgen voor betere luchtcirculatie. Helaas ook voor betere geluidscirculatie en we hebben een buurman die meent dat het beter rusten is met een loeiende TV aan. Maar eerst de avondhap. Ik heb geen zin in kip en bestel hidago. Dat blijkt later lever te zijn.

Het bed is stevig. Voor we niet in slaap vallen, feliciteren we onszelf met onze geslaagde ontsnapping van het platgetreden gringo-pad. De hele dag hebben we niet één toerist gezien. Niet één! Morgen verder naar de weinig gebruikte grensovergang bij La Balsa, die gemoedelijk en vrij van wachtrijen, verkopers, oplichters en corrupte douaniers belooft te zijn.

*

Vroeg op zonder ontbijt. Ik wissel mijn soles tegen dollars bij een lokale middenstander die een verrassend eerlijke wisselkoers hanteert. Tuk-tuk naar weer een mini-bus. De 47 kilometer naar de grens worden veel sneller afgelegd dan verwacht. Volgens mijn informatie zou het drie uur moeten duren. We zijn er in drie kwartier. Zoveel verschil maakt glad asfalt. De wereld is in noord Peru opeens een stuk kleiner geworden.

Aankomst. Oh la la La Balsa. Mooi plekje aarde. De grens is een brug over een schuimende rivier met grote gladgeschuurde keien, omsloten door groene heuvels. Het is er rustig. Taxichauffeurs wachten lijzig op nieuwe klanten van de andere kant. We 'brunchen' in een vriendelijk restaurant. Open voorkant, blinkende tegelvloer en een afbeelding van Jezus. Zo heb je er duizend in Peru. Eén tortilla de huevos met rijst, één zonder. De eigenaar brengt twee gratis koppen cichorei.

La Balsa blijkt inderdaad vrij van wachtrijen. We lopen een houten hok in met migraciones boven de deur. Voordat we een exit-stempel krijgen, moeten we eerst bij de lokale politie langs. Die zijn gevestigd in de naastgelegen houten barak. De was hangt er buiten.

Een corpulente agent met bril – ik vermoed: de gehele politiemacht van de Peruaanse kant van de grensovergang La Balsa – ontvangt ons aan zijn bureau. De sheriff zit met zijn rug naar de traliedeur van een kale cel. Nadat onze namen zijn vastgelegd in de computer, krijgen we een stempel en mogen we de brug over lopen. Mijn Vlaamse geliefde zegt: “Wedden dat we straks twee Hollanders zien?” Vervolgt met een Nederlands accent: “Nouw Keesj, we zijn er hoor!¨.

Aan de andere kant treffen we inderdaad twee reizigers, die bier drinken uit flessen onder een afdak van golfplaat van een kleine winkel. Gelukkig komen ze uit Uruguay en niet uit Lelystad, dus we zijn nog steeds van het gringo-pad af. De Uruguayanen zaten hiervoor in Iquitos (een Peruaanse stad in de jungle aan de Amazone, de grootste stad ter wereld die geen landverbinding heeft met de buitenwereld. Alleen boten en vliegtuigen gaan erheen. Er wonen bijna 400.000 zielen). De Uruguayanen hebben vier dagen op een rivierboot gezeten. Daar heb ik over gelezen: stinkende roestige vrachtboten met smerig eten, zonder douches en een plee waar alleen de allerwanhopigste reiziger zich op durft te ontlasten. Passagiers slapen in hangmatten tussen de vracht en een hoop levende have: kippen, varkens, een enkele koe... Niet voor mensen met smetvrees.

De Ecuadoriaanse beambte die onze paspoorten stempelt is een fitte militair. Een legergroen T-shirt knelt om zijn bovenlijf. Hij heeft zelfgemaakte tattoos op zijn vingers. De man is de vriendelijkheid zelve, maar ik vermoed dat hij je slokdarm er in één beweging uitrukt bij de geringste misstap.

*

Eerste indruk van Ecuador: blubber. Aan deze kant van de grens is het asfalt nog niet gearriveerd. Het transport naar de eerste nederzetting is een truck waar houten banken en een overkapping op gemonteerd zijn. De zijkanten zijn open. Anderhalf uur lang testen we ons zitvlees, maar de rit is enerverend. De zon heeft de nevelen verjaagt van de Andes-toppen. De lethargie van de vorige dag is verdwenen. Misschien komt het door het ontbreken van een stuk glas tussen mij en de wereld. Het gevoel van ruimte is opwindend.

De zandweg is nauwelijks breder dan de truck. Ik zit aan de ravijnkant en moet de aandrang weerstaan om uit de truck te springen en te zweven als een condor door de vallei.

*

Stijf en geradbraakt maar met een uitgewaaid gemoed arriveren we in het dorp Zumba. Daar wacht de bus naar Loja, met een stop in Vilcabamba, onze bestemming. Een Ecuadoriaans stel wil met ons op de foto. Dat is een ongebruikelijk verzoek in deze contreien. Het versterkt het besef dat vreemdelingen op deze route schaars zijn.

De bus is een gare, stoffige touringcar. Een groot bakbeest. Dat doet vermoeden dat de weg snel beter en breder zal worden. Niets is minder waar. Gedurende de eerste helft van de rit van zes uur, wurmt de mastodont zich door de haarspeldbochten van het zandweggetje. Ik snap niet hoe het mogelijk is. Op vele plekken lijkt de weg smaller dan de bus en een tuimeling in het ravijn onvermijdelijk, maar het zal optisch bedrog zijn, want we leggen de kilometers weliswaar kruipend, maar ongeschonden af.

De buschauffeur draait – om redenen die me volledig ontgaan – Duitse disco. Met een beetje hulp van het internet identificeer ik de nummers Moskau en The Rocking Son of Dschinghis Khan van de band Dschinghis Khan (vierde op het Eurovisie songfestival 1979). Voor de duidelijkheid: deze nummers zijn half Duits, half Engels. Twee talen die niemand op deze bus machtig is.

Dan een abrupte overgang van decor. Net als buurman Peru timmert ook Ecuador zwaar aan de weg. Na het charmante zandweggetje volgen eerst weer kilometers modder veroorzaakt door het zwaar materieel dat de berg aan het afgraven is en dan een nieuwe weg. Deze is van betonplaten en niet zo goed als het Peruaanse asfalt, maar het is grote vooruitgang.

Toch word ik er somber van, de overdaad aan Duitse disco ten spijt. Over een aantal maanden, een jaar misschien, zal de hele weg van Chacapoyas naar Loja geasfalteerd zijn. Men spreekt van een nieuwe internationale busverbinding. Non-stop. De rit die ons nu 20 uur kostte, verspreid over twee dagen, zal dan in de helft van de tijd afgelegd worden in een moderne bus, in plaats van een serie mini-busjes, tuk-tuks en één open truck met houten banken.

Ik merk dat de toerist in mij de lokale bevolking de vooruitgang misgunt. De toerist wil geen asfalt. Dat heeft hij thuis al. De toerist wil een kleurrijk avontuur, het gevoel van een andere wereld. Maar dat is egoïsme. De mensen hier willen hun neven en nichten in het volgende dorp kunnen bezoeken, zonder vijf uur op pad te zijn. De mensen hier willen ook eens zaken kunnen doen in de stad en 's avonds weer naar huis kunnen, naar moeder de vrouw en de dampende rijst. Dat is belangrijker.

Over een jaar zul je deze route niet meer kunnen afleggen zonder een andere toerist te zien. 

woensdag 29 januari 2014

Over het recht van jongeren om klef te doen op bankjes

Eén van de aangenaamste aspecten van het Latijns-Amerikaanse straatbeeld is de openlijke kalverliefde. Overal zie je ze. Jonge mensen, twee aan twee. Ze houden handjes vast. Ze vleien tegen elkaar aan op straathoeken en in de metro. Ze zitten uren op bankjes in parkjes te friemelen, frunniken en vlooien. Ze verdrinken in elkaars ogen. Ze snuiven, ruiken en zuchten. Ze durven elkaar niet los te laten. Ze kopen een ijsje.

Het is kleffer dan klef, maar het is wat een jong mens hoort te doen. Ik vind de schaamteloze gretigheid waarmee de latino-puber hunkert naar liefhebben en lusthebben, aantrekkelijker dan de houterige paringsdans die ik me van thuis herinner: stoer doen, vooral cool blijven, ze niet laten denken dat je geïnteresseerd bent, angstvallig in de buurt van je boertige maten hangen, moed indrinken totdat je zoveel moed hebt geconsumeerd dat je geen twee zinnen meer kan zeggen...

Jongens hier hoeven zich geen moed in te drinken om een meisje aan te spreken. Over romantiek wordt niet lacherig gedaan. Je leeft voor de romantiek, waarvoor anders? Wie vrienden heeft met een Latijns-Amerikaanse achtergrond, kent de hoogdravende, bijna hoofse woorden waarmee ze uiting geven aan hun genegenheid. 'Reina de mi corazon, luz de ma vida!' (koningin van mijn hart, licht van m'n leven!), passeert er dan opeens op Facebook. En dat op een doodgewone dinsdagochtend.

Het is zomervakantie nu. Het Peruaanse jongmens heeft verlof. Er wordt nog meer op bankjes gezeten dan anders. Ik zag ze zitten aan de lagune van de oase van Huacachina, in een decor van machtige zandduinen. Ik zag ze aan zee in Huanchaco, een lelijk kustoord waar de Peruanen hun gammele auto's op het strand parkeren. Ik zag ze zitten en zitten. Ze zijn jong, dus ze hebben geen geld, dus ze zitten. Ze zijn jong, dus hebben ze geen eigen plek, dus zitten ze. Ik zag ze zitten en content zijn.

In de provincie Atjeh, het meest noordelijke stukje van Sumatra, is de sharia sinds 2001 de norm in het strafrecht – in tegenstelling tot de rest van Indonesië. In Atjeh jaagt de religieuze politie op ongetrouwde jongeren die zich samen in het openbaar vertonen. Wie op heterdaad betrapt wordt, kan gedwongen worden ter plekke te trouwen of riskeert een veroordeling tot negen stokslagen. 

vrijdag 24 januari 2014

De vlinder en de bliksemschicht


Laten we hem Pedro noemen.

Wie hem ziet, verwacht geen grootse dingen. Hij is midden dertig, klein en pezig. Zijn mosterd-gele uniform, hoewel keurig in de plooi, floddert een beetje om zijn lijf. Zijn kapsel is geen middel tot zelfexpressie, het is gewoon netjes kort geknipt.

Pedro is steward op de luxe busdienst van Cuzco naar Ica. Van de geïsoleerde Andes naar de cosmopoliete kustregio, waar de mensen er anders uitzien dan hij. Pedro heeft een volbloed-indianenkop, een scherp gesneden donker gelaat met de kenmerkende hoge jukbeenderen van de Inca's. Aan de kust, in Lima, in Ica, in de smeltkroes, zijn het allemaal mestiezen met Spaanse trekken.

Pedro is pas opzienbarend als hij in beweging komt. Pedro de flits. Pedro bliksemschicht. Een fenomeen. De bus schudt, de bus slingert. Het is een rit van zeventien uur en nergens is de weg vlak of recht. Op en af, bocht na bocht, langs ravijnen, zeventien uur lang. Een informatiefilmpje laat weten dat de bussen van Cruz del Sur zich altijd aan de voorgeschreven maximumsnelheid van 90 kilometer per uur houden. Een overbodig gegeven. 90 kilometer per uur betekent een gegarandeerde dood op deze bergwegen. De kilometerteller, zichtbaar in de passagierscabine, schommelt rond de 45.

Alles schommelt, behalve Pedro de berggeit. Hij flitst door de rijdende bus. Met headsets voor de radio in je armleuning. Met armen vol kussens en dekens. Met een tree thee en koffie rent hij de trap af tussen de twee verdiepingen van de dubbeldekker en komt boven met blad gestapelde magnetronmaaltijden die hij met verbluffende vlotheid uitdeelt, als een robot vermomd als Inca. Nooit morst hij een druppel. Als passagiers opstaan om naar de wc te gaan, liggen ze prompt bij hun buurman op schoot en zwalken als dronken nijlpaarden door de bus. Pedro trekt zijn afvalkarretje het middenpad op tijdens een steile afdaling en schuift mechanisch de lege dienbladen op hun plek. Nooit wankelt hij, nooit houdt hij zich vast, nooit moet hij zijn evenwicht hervinden.

In een mum van tijd zijn twee verdiepingen aan passagiers gelaafd en gevoed. Dan neemt ook Pedro plaats op zijn stoel achterin, naast de wc, maar hij blijft aanspreekbaar. Zijn dienst stopt pas als de bus zijn eindbestemming heeft bereikt.

Zeventien uur is lang genoeg om te fantaseren over Pedro's leven buiten de bus...

Laten we haar Mariposa Lopez noemen.

Mariposa Lopez woont in het appartement boven dat van Pedro. Ze is van Lima naar Cuzco verhuisd. Ze is kapster. Pedro vindt Mariposa Lopez een ravissante verschijning, maar is er de man niet naar om dat te zeggen. Soms heeft Mariposa Lopez een vriendje. Mannen met vet in hun achterovergekamde haren, die haar soms een blauw oog bezorgen, waarna ze ze aan de straat zet. Pedro zegt er niets van, behalve wanneer ze hem om zijn mening vraagt.

Mariposa Lopez staat vaak voor de deur als Pedro net zijn bed is ingedoken na een lange dienst op de bus. Pedro doet altijd open. Als Mariposa Lopez het slaperig hoofd van Pedro ziet verontschuldigt ze zich met overgave, maar het weerhoudt haar niet om de volgende keer gewoon weer te kloppen.

Pedro leent Mariposa Lopez suiker. Pedro vult haar olie bij en zegt dat ze nodig de remmen van haar kleine auto moet laten nakijken. Pedro repareert een lekkende kraan. Mariposa Lopez serveert rijst met zeevruchten, waar hooglander Pedro niet zo veel om geeft, maar hij eet glimlachend.

Zo draaien ze al bijna twee jaar om elkaar heen. Voordat ik in slaap val, bedenk ik dat ik straks niet moet vergeten om Pedro op het hart te drukken dat hij Mariposa Lopez gewoon eens moet zoenen, nadat ze rijst met zeevruchten voor hem heeft gemaakt.

dinsdag 21 januari 2014

Ziek, zwak en misselijk

Lang heb ik gedacht dat ik immuun was voor de meeste typische reizigerskwaaltjes, zoals daar zijn: voedselvergiftiging, zeeziekte, wagenziekte, hoogteziekte en neurosyfilis. Helaas bleek ik uiteindelijk toch een mens.

Wagenziek ben ik een paar keer geweest in schuddende bussen die zich door eindeloze bochten slingerden. En in 2009, ergens tussen de Azoren en Guadeloupe, op een duits vrachtschip, zag ik groen van het zeeziek zijn. In Granada, Nicaragua at ik bedorven kip en verbaasde me een nacht lang over de hoeveelheid vocht die een mens in zich draagt.

Tot voor kort dacht ik dat hoogteziekte een overdreven fenomeen was, aangezwengeld door fabrikanten van pillen voor de reisapotheek. Allicht dat een beklimming van Everest voor wat ademnood kan zorgen, maar Cuzco, op 3500 meter, dat zal toch wel meevallen?

Twee uur na aankomst: het steegje stijgt, niet eens zo scherp, maar ik voel m'n kuiten branden. Daarna een stenen trap. Ik adem niet meer, ik zuig lucht als milkshake door een te dun rietje. Ik hijg als een bejaarde kettingroker. Mijn longen voelen aan alsof ze niet groter zijn dan een gloeilamp. Bovengekomen ben ik misselijk, ik sta wankel, het hoofd bonkt en steekt. Ik kan niet meer ontkennen dat hoogteziekte kennelijk toch bestaat. Eerst even uithijgen.

3500 meter hoogte valt niet mee voor de Homo Zeeniveau. Op 3500 meter is de lucht merkbaar ijl. Ik duik een bar in. Niet bewegen helpt. En, tot mijn verbazing, helpt de thee van coca-bladeren – een geijkt lapmiddel voor lijders aan hoogteziekte – zeer goed. Of het nu komt door de coca-bladeren of omdat ik iets warms binnenkrijg: de druk in het hoofd verdwijnt, het is alsof iemand een ventiel opendraait.

Daarna dronk ik een Pisco Sour en at Lomo Saltado en was alles weer goed. (al moet ik serieus rekening houden met de mogelijkheid dat ik ook niet immuun ben voor neurosyfilis).

zondag 19 januari 2014

Ik was ook nooit in Isfahaan

Welkom in trein 'Expedition 33' van Peru Rail naar Aguascalientes, ook wel Machu Pichu-pueblo genoemd. We boemelen voort met 50 kilometer in het uur. Langzamer in bewoonde gebieden waar vee of kinderen op de rails staan en de dieselloc toeterend voortkruipt. Uiterlijk is dit ook geen flitstrein, zware ijzeren wagons die doen denken aan de pre-plastic tijd, bijeengehouden door klinknagels, en een monster van een locomotief, een mechanische tientonner (het kan ook gerust een twintigtonner zijn) die blauwe rook spuwt.

Hevig schuddend trekt de trein door de Sacred Valley van Peru, de witschuimende Urubamba volgend. In de wagons zitten toeristen in comfortabele zetels, ze maken foto's van het berglandschap en kauwen op droge koekjes die bij de prijs inbegrepen zaten. Dit is geen echte trein, het is een thema-trein, een pseudo-trein, een meta-trein, zijn bestaansreden is het vervoeren van toeristen van Cuzco naar Machu Picchu. De wagons zijn gedecoreerd met Inca-motieven, in het dak zijn extra ramen voor een beter uitzicht. Deze trein laat zich beter vergelijken met het stoomtreintje in De Efteling dan de intercity Utrecht – Amsterdam.

Bij mijn weten is de trein het enige transportmiddel naar Aguascalientes, de poort naar Machu Pichu. Of je moet met een gecertificeerde gids gedurende vier dagen de Inca Trail belopen. De Peruaanse overheid waakt over de oude Inca-stad als een leeuwin over haar kittens. Vanaf het kopen van een toegangsbewijs bij één van de officiële instanties tot aan het betreden van de ruïnes, laat ik vier keer mijn paspoort zien en op de terugweg nog twee keer. De trein betekent: controle. Controle over wie komt en gaat. Aguascalientes is autovrij, je kunt er niet naartoe rijden, je kunt geen taxi pakken. Het wemelt er van de militairen.

Ik stel me voor dat Aguascalientes begon als een kleine pleisterplaats voor Machu Pichu-gangers. Een paar straatverkopers, een kantine, misschien een bar onder een dak van golfplaat of een kampeerterrein. Nu is het een zorgvuldig gemanicuurde nederzetting, met schoon geboende, afval- en zwerfhondvrije-straten, parkjes, bankjes en bordjes en circa 99 pizza-tenten, godzijdank opgetrokken uit de onafgewerkte betonblokken waar de Peruanen zo dol op zijn, anders had ik me werkelijk in Disney-Peru gewaand. Maar, eerlijk is eerlijk, het heeft ook z'n charme. Ingeklemd tussen groene bergtoppen, in innige omhelzing met de kolkende rivier. 99 pizza-tenten kunnen niet voorkomen dat het vredig overkomt. Mag je een plek die ontstaan is voor het toerisme nep of onecht noemen? Zonder toerisme, geen Aguascalientes. Het heeft nooit een andere raison d' etre gekend.

Ik heb meer moeite met Cuzco – de vroegere keizerlijke hoofdstad van het Inca-rijk, de 'navel van de wereld'. Er wonen meer dan 300.000 mensen in Cuzco, maar in de oude koloniale binnenstad, waar her en der nog een Inca-muur staat, lijkt de overwinning van het toerisme compleet. Alles is ingericht op de toerist. En dit is het lager-dan-laag-seizoen, het onvoorspelbare regenseizoen. Ik wil niet weten hoe het hier in juli is.

Cuzco mag dan de 'navel van de wereld' zijn, het is ook het kontgat van de wereld. De taxi-rit van het vliegveld naar de oude stad voert door de lelijkste voorstad die ik ooit heb gezien (en ik heb Antwerpen-Luchtbal gezien). Het is een halve stap boven een sloppenwijk: verkeerschaos en open riolen. Overal half afgemaakte bouwsels waar de roestbruine sprieten van gewapend beton uitsteken, afval tussen in onbruik geraakte treinrails, een markt in de modder met varkenspoten en varkenskoppen. Sommige huizen zijn gemaakt van blokken samengepakte aarde of klei.*  De binnenstad is met toerismegeld gerestaureerd en biedt natuurlijk een totaal ander aanzicht. En dan gaan de prijzen voor eten en drinken omhoog tot een niveau wat een westerling redelijk zou noemen, maar voor de gemiddelde Peruaan onbetaalbaar. Dus die verdwijnt. Achter de economische muur van oud-Cuzco, wordt nauwelijks meer geleefd en gestorven. Het is één groot hotel geworden.

Van Aguascalientes vervoeren busjes mensen de berg op. Een modder- en steenlawine heeft een haarspeldbocht doen verdwijnen, dus moeten we een stuk lopen en overstappen in een busje dat een bocht hoger wacht. En dan Machu Picchu. Dat is adembenemend, surreëel mooi. Punt.

Wacht even, Peru? Je wilde toch naar het Midden-Oosten? Klopt, maar toen het tijd was om een vliegticket te kopen, dreigde Obama Syrië aan te vallen omdat ze stoute dingen hadden gedaan met chemische wapens, en begon Iran – waar de belofte van detente onder de nieuwe gematigde president Rohani direct als sneeuw voor de zon leek te verdwijnen – te dreigen met represailles tegen Amerika en zijn bondgenoten. Dus mobiliseerde Israël alvast en ondertussen ontploften er bommen in Libanon dat dankzij het ingewikkelde netwerk van allianties bij de Syrisch burgeroorlog betrokken dreigde te raken, overspoelden Syrische vluchtelingen Turkije en Jordanië en tuimelde Egypte in een regen van molotov-cocktails als een bananenrepubliek in de jaren '70 van coup naar contra-coup. En ondertussen kan je nog steeds geen visa voor Irak krijgen – via een officiële weg althans. Dus leek het Midden-Oosten steeds kleiner te worden. Uiteindelijk viel het nog mee (niet vanuit het oogpunt van de Syrische burger natuurlijk), maar toen was plan-B al gemaakt.

En nu kan ik Nederlands beste hedendaagse schrijver Tommy Wieringa de hand schudden, want hij was overal, behalve in Isfahaan, zo lezen we in zijn magistrale bundel reisverhalen getiteld Ik was nooit in Isfahaan dat opnieuw zijn weg heeft gevonden naar mijn backpack.

Welkom op de trein van Peru naar Cuba, via Ecuador, Colombia en Midden-Amerika.

*Ik moet mijn observatie over huizen van aarde/klei als symbool van pauperdom ietwat nuanceren. Bij nadere inspectie blijkt dat het eerder een traditionele methode is, die nog dikwijls wordt toegepast. Een aarden muur is blijkbaar stevig genoeg om er ramen en een deur in te zetten en een pannendak op te leggen. Ook veel statige koloniale gebouwen in oud-Cuzco zijn uit aarde opgetrokken, al zijn de gevels daar afgewerkt met een gladde pleisterlaag.

woensdag 12 mei 2010

Metropool

De allerlaatste, met enige vertraging. Bedankt voor uw aandacht.

Dat Raimon den Boef Latijns-Amerika studies ging doen na de middelbare school kwam als een verrassing. We begrepen het niet zo goed. Raimon was een man van voetbal, Nederlands cabaret, vaasjes bier in een oude-mannen-kroeg en Quentin Tarantino films. Slim, dat wel, maar niet echt de linkse intellectueel, de globbetrotter, de talenknobbel, de fijnbesnaarde romanticus, de boekenwurm, de idealist, de mariachi, de smulpaap, de salsa-danser, de tropische boom-knuffelaar, de potentiële emigrant, of één van de andere termen die in ons beeld pasten bij een Latijns-Amerikanist.

Latijns-Amerika...We hadden hem er nooit over gehoord. Raimon zou vast economie of bedrijfskunde of misschien rechten gaan studeren. We wisten vrij zeker dat hij geen woord Spaans sprak. Maar stille wateren hebben diepe gronden. Raimon woont nu bijna vier jaar in Mexico-stad en spreekt vloeiend Spaans (en danst niet onaardig salsa). En, zo moet ik concluderen, nu ik reeds een week op zijn bank verblijf: hij heeft het goed bekeken.

Testje: welke woorden komen er in je op, als je Mexico-stad hoort? Denk er even over na. Klaar? Goed, waren het woorden van deze strekking? Vol, smerig, chaotisch, crimineel, betonnen jungle, smog, uitlaatgassen, drugs, armoede, bendes. Wie wil daar nu wonen? Dat Raimon naar Mexico verhuisde, begrepen we uiteindelijk wel. Maar dan toch zeker naar Cancun, Tulum of Acapulco, iets tropisch en paradijselijks, niet de in beton gegoten ellende van Mexico-Stad.

Ik raad iedereen aan eens naar Mexico-Stad te gaan. En ik raad Mexico-stad aan om een goede PR-man of dame in dienst te nemen, want het beeld dat de rest van de wereld heeft van deze waanzinnige metropool strookt niet met de werkelijkheid. Hier komt mijn lijstje steekwoorden na een week Mexico-Stad. Hou je vast. Groen, kosmopolitisch, wereldstad, vriendelijk, cultuur, wetenschap, opwindend, grandeur, gezellig, historisch, adembenemend (figuurlijk, niet door de smog), divers en vrolijk. De stad heeft voor ieder wat wils: gooi London, Parijs, Barcelona, New York en Los Angeles in een blender en je krijgt Mexico-Stad.

We stappen in de metro op station Etiopia , zo geheten omdat keizer Haile Selassie, de leeuw van Juda, ooit in een nabijgelegen hotel verbleef. Het pictogram van het station is dan ook een leeuw. Elke metrostop heeft een eigen pictogram. De aandacht voor dit soort details maakt dat het massatransport in Mexico-stad zo duidelijk en gebruiksvriendelijk is. Verder is de metro snel, schoon, goedkoop en efficiënt. 'En veilig', zegt Raimon. 'Ook in de avond zie je alleen maar normale mensen. Als ik in Nederland na tien uur de metro nam, zaten er alleen nog petjes en moeilijkkijkers.'

Onze bestemming is het Frida Kahlo museum in de wijk Coyoacan. Terwijl we door het 'Blauwe Huis' lopen vertelt Raimon over de seksuele aberraties van Frida en haar minnaar Diego Rivera, wiens beroemde muurschilderingen ik de voorgaande dagen heb gezien; in het presidentieel paleis op het Zocalo-plein, en in het Palacio des Belles Artes, wat misschien wel het mooiste art deco gebouw ter wereld is.

Het is een stereotiep beeld dat mensen in een grote stad ongelukkig zijn. Dolende zielen, ontheemd en verweesd, die iets verloren zijn toen ze wegtrokken van dorp en natuur. En juist in Mexico-stad, daar waar ik het moderne dystopia dacht te gaan aanschouwen, heeft iedereen het zichtbaar naar zijn zin. Geen stuurse blikken naar de grond, maar open gezichten. Een moderne stad, waar consumptie op een voetstuk staat en de cultus van de I-pod regeert, maar die toch warm aanvoelt: het kan dus wel.

Je voelt de dynamiek van deze stad, huis van 20 miljoen. Je voelt dat er dingen mogelijk zijn, dat de stad ergens heen gaat. Dat de eindbestemming misschien ongewis is, maakt niet uit. De dynamiek creëert energie en dat is voldoende. Voor het eerst begrijp ik het sentiment dat Frank Sinatra verwoordde toen hij zong: 'I want to be a part of it. New York. New York.'

Na het Frida Kahlo is het tijd om te bieren op een pleintje in Coyoacan. Precies zoals we een decennium terug dat ook deden. Alleen is de omgeving nu zoveel aangenamer.