dinsdag 21 januari 2014

Ziek, zwak en misselijk

Lang heb ik gedacht dat ik immuun was voor de meeste typische reizigerskwaaltjes, zoals daar zijn: voedselvergiftiging, zeeziekte, wagenziekte, hoogteziekte en neurosyfilis. Helaas bleek ik uiteindelijk toch een mens.

Wagenziek ben ik een paar keer geweest in schuddende bussen die zich door eindeloze bochten slingerden. En in 2009, ergens tussen de Azoren en Guadeloupe, op een duits vrachtschip, zag ik groen van het zeeziek zijn. In Granada, Nicaragua at ik bedorven kip en verbaasde me een nacht lang over de hoeveelheid vocht die een mens in zich draagt.

Tot voor kort dacht ik dat hoogteziekte een overdreven fenomeen was, aangezwengeld door fabrikanten van pillen voor de reisapotheek. Allicht dat een beklimming van Everest voor wat ademnood kan zorgen, maar Cuzco, op 3500 meter, dat zal toch wel meevallen?

Twee uur na aankomst: het steegje stijgt, niet eens zo scherp, maar ik voel m'n kuiten branden. Daarna een stenen trap. Ik adem niet meer, ik zuig lucht als milkshake door een te dun rietje. Ik hijg als een bejaarde kettingroker. Mijn longen voelen aan alsof ze niet groter zijn dan een gloeilamp. Bovengekomen ben ik misselijk, ik sta wankel, het hoofd bonkt en steekt. Ik kan niet meer ontkennen dat hoogteziekte kennelijk toch bestaat. Eerst even uithijgen.

3500 meter hoogte valt niet mee voor de Homo Zeeniveau. Op 3500 meter is de lucht merkbaar ijl. Ik duik een bar in. Niet bewegen helpt. En, tot mijn verbazing, helpt de thee van coca-bladeren – een geijkt lapmiddel voor lijders aan hoogteziekte – zeer goed. Of het nu komt door de coca-bladeren of omdat ik iets warms binnenkrijg: de druk in het hoofd verdwijnt, het is alsof iemand een ventiel opendraait.

Daarna dronk ik een Pisco Sour en at Lomo Saltado en was alles weer goed. (al moet ik serieus rekening houden met de mogelijkheid dat ik ook niet immuun ben voor neurosyfilis).

zondag 19 januari 2014

Ik was ook nooit in Isfahaan

Welkom in trein 'Expedition 33' van Peru Rail naar Aguascalientes, ook wel Machu Pichu-pueblo genoemd. We boemelen voort met 50 kilometer in het uur. Langzamer in bewoonde gebieden waar vee of kinderen op de rails staan en de dieselloc toeterend voortkruipt. Uiterlijk is dit ook geen flitstrein, zware ijzeren wagons die doen denken aan de pre-plastic tijd, bijeengehouden door klinknagels, en een monster van een locomotief, een mechanische tientonner (het kan ook gerust een twintigtonner zijn) die blauwe rook spuwt.

Hevig schuddend trekt de trein door de Sacred Valley van Peru, de witschuimende Urubamba volgend. In de wagons zitten toeristen in comfortabele zetels, ze maken foto's van het berglandschap en kauwen op droge koekjes die bij de prijs inbegrepen zaten. Dit is geen echte trein, het is een thema-trein, een pseudo-trein, een meta-trein, zijn bestaansreden is het vervoeren van toeristen van Cuzco naar Machu Picchu. De wagons zijn gedecoreerd met Inca-motieven, in het dak zijn extra ramen voor een beter uitzicht. Deze trein laat zich beter vergelijken met het stoomtreintje in De Efteling dan de intercity Utrecht – Amsterdam.

Bij mijn weten is de trein het enige transportmiddel naar Aguascalientes, de poort naar Machu Pichu. Of je moet met een gecertificeerde gids gedurende vier dagen de Inca Trail belopen. De Peruaanse overheid waakt over de oude Inca-stad als een leeuwin over haar kittens. Vanaf het kopen van een toegangsbewijs bij één van de officiële instanties tot aan het betreden van de ruïnes, laat ik vier keer mijn paspoort zien en op de terugweg nog twee keer. De trein betekent: controle. Controle over wie komt en gaat. Aguascalientes is autovrij, je kunt er niet naartoe rijden, je kunt geen taxi pakken. Het wemelt er van de militairen.

Ik stel me voor dat Aguascalientes begon als een kleine pleisterplaats voor Machu Pichu-gangers. Een paar straatverkopers, een kantine, misschien een bar onder een dak van golfplaat of een kampeerterrein. Nu is het een zorgvuldig gemanicuurde nederzetting, met schoon geboende, afval- en zwerfhondvrije-straten, parkjes, bankjes en bordjes en circa 99 pizza-tenten, godzijdank opgetrokken uit de onafgewerkte betonblokken waar de Peruanen zo dol op zijn, anders had ik me werkelijk in Disney-Peru gewaand. Maar, eerlijk is eerlijk, het heeft ook z'n charme. Ingeklemd tussen groene bergtoppen, in innige omhelzing met de kolkende rivier. 99 pizza-tenten kunnen niet voorkomen dat het vredig overkomt. Mag je een plek die ontstaan is voor het toerisme nep of onecht noemen? Zonder toerisme, geen Aguascalientes. Het heeft nooit een andere raison d' etre gekend.

Ik heb meer moeite met Cuzco – de vroegere keizerlijke hoofdstad van het Inca-rijk, de 'navel van de wereld'. Er wonen meer dan 300.000 mensen in Cuzco, maar in de oude koloniale binnenstad, waar her en der nog een Inca-muur staat, lijkt de overwinning van het toerisme compleet. Alles is ingericht op de toerist. En dit is het lager-dan-laag-seizoen, het onvoorspelbare regenseizoen. Ik wil niet weten hoe het hier in juli is.

Cuzco mag dan de 'navel van de wereld' zijn, het is ook het kontgat van de wereld. De taxi-rit van het vliegveld naar de oude stad voert door de lelijkste voorstad die ik ooit heb gezien (en ik heb Antwerpen-Luchtbal gezien). Het is een halve stap boven een sloppenwijk: verkeerschaos en open riolen. Overal half afgemaakte bouwsels waar de roestbruine sprieten van gewapend beton uitsteken, afval tussen in onbruik geraakte treinrails, een markt in de modder met varkenspoten en varkenskoppen. Sommige huizen zijn gemaakt van blokken samengepakte aarde of klei.*  De binnenstad is met toerismegeld gerestaureerd en biedt natuurlijk een totaal ander aanzicht. En dan gaan de prijzen voor eten en drinken omhoog tot een niveau wat een westerling redelijk zou noemen, maar voor de gemiddelde Peruaan onbetaalbaar. Dus die verdwijnt. Achter de economische muur van oud-Cuzco, wordt nauwelijks meer geleefd en gestorven. Het is één groot hotel geworden.

Van Aguascalientes vervoeren busjes mensen de berg op. Een modder- en steenlawine heeft een haarspeldbocht doen verdwijnen, dus moeten we een stuk lopen en overstappen in een busje dat een bocht hoger wacht. En dan Machu Picchu. Dat is adembenemend, surreëel mooi. Punt.

Wacht even, Peru? Je wilde toch naar het Midden-Oosten? Klopt, maar toen het tijd was om een vliegticket te kopen, dreigde Obama Syrië aan te vallen omdat ze stoute dingen hadden gedaan met chemische wapens, en begon Iran – waar de belofte van detente onder de nieuwe gematigde president Rohani direct als sneeuw voor de zon leek te verdwijnen – te dreigen met represailles tegen Amerika en zijn bondgenoten. Dus mobiliseerde Israël alvast en ondertussen ontploften er bommen in Libanon dat dankzij het ingewikkelde netwerk van allianties bij de Syrisch burgeroorlog betrokken dreigde te raken, overspoelden Syrische vluchtelingen Turkije en Jordanië en tuimelde Egypte in een regen van molotov-cocktails als een bananenrepubliek in de jaren '70 van coup naar contra-coup. En ondertussen kan je nog steeds geen visa voor Irak krijgen – via een officiële weg althans. Dus leek het Midden-Oosten steeds kleiner te worden. Uiteindelijk viel het nog mee (niet vanuit het oogpunt van de Syrische burger natuurlijk), maar toen was plan-B al gemaakt.

En nu kan ik Nederlands beste hedendaagse schrijver Tommy Wieringa de hand schudden, want hij was overal, behalve in Isfahaan, zo lezen we in zijn magistrale bundel reisverhalen getiteld Ik was nooit in Isfahaan dat opnieuw zijn weg heeft gevonden naar mijn backpack.

Welkom op de trein van Peru naar Cuba, via Ecuador, Colombia en Midden-Amerika.

*Ik moet mijn observatie over huizen van aarde/klei als symbool van pauperdom ietwat nuanceren. Bij nadere inspectie blijkt dat het eerder een traditionele methode is, die nog dikwijls wordt toegepast. Een aarden muur is blijkbaar stevig genoeg om er ramen en een deur in te zetten en een pannendak op te leggen. Ook veel statige koloniale gebouwen in oud-Cuzco zijn uit aarde opgetrokken, al zijn de gevels daar afgewerkt met een gladde pleisterlaag.

woensdag 12 mei 2010

Metropool

De allerlaatste, met enige vertraging. Bedankt voor uw aandacht.

Dat Raimon den Boef Latijns-Amerika studies ging doen na de middelbare school kwam als een verrassing. We begrepen het niet zo goed. Raimon was een man van voetbal, Nederlands cabaret, vaasjes bier in een oude-mannen-kroeg en Quentin Tarantino films. Slim, dat wel, maar niet echt de linkse intellectueel, de globbetrotter, de talenknobbel, de fijnbesnaarde romanticus, de boekenwurm, de idealist, de mariachi, de smulpaap, de salsa-danser, de tropische boom-knuffelaar, de potentiële emigrant, of één van de andere termen die in ons beeld pasten bij een Latijns-Amerikanist.

Latijns-Amerika...We hadden hem er nooit over gehoord. Raimon zou vast economie of bedrijfskunde of misschien rechten gaan studeren. We wisten vrij zeker dat hij geen woord Spaans sprak. Maar stille wateren hebben diepe gronden. Raimon woont nu bijna vier jaar in Mexico-stad en spreekt vloeiend Spaans (en danst niet onaardig salsa). En, zo moet ik concluderen, nu ik reeds een week op zijn bank verblijf: hij heeft het goed bekeken.

Testje: welke woorden komen er in je op, als je Mexico-stad hoort? Denk er even over na. Klaar? Goed, waren het woorden van deze strekking? Vol, smerig, chaotisch, crimineel, betonnen jungle, smog, uitlaatgassen, drugs, armoede, bendes. Wie wil daar nu wonen? Dat Raimon naar Mexico verhuisde, begrepen we uiteindelijk wel. Maar dan toch zeker naar Cancun, Tulum of Acapulco, iets tropisch en paradijselijks, niet de in beton gegoten ellende van Mexico-Stad.

Ik raad iedereen aan eens naar Mexico-Stad te gaan. En ik raad Mexico-stad aan om een goede PR-man of dame in dienst te nemen, want het beeld dat de rest van de wereld heeft van deze waanzinnige metropool strookt niet met de werkelijkheid. Hier komt mijn lijstje steekwoorden na een week Mexico-Stad. Hou je vast. Groen, kosmopolitisch, wereldstad, vriendelijk, cultuur, wetenschap, opwindend, grandeur, gezellig, historisch, adembenemend (figuurlijk, niet door de smog), divers en vrolijk. De stad heeft voor ieder wat wils: gooi London, Parijs, Barcelona, New York en Los Angeles in een blender en je krijgt Mexico-Stad.

We stappen in de metro op station Etiopia , zo geheten omdat keizer Haile Selassie, de leeuw van Juda, ooit in een nabijgelegen hotel verbleef. Het pictogram van het station is dan ook een leeuw. Elke metrostop heeft een eigen pictogram. De aandacht voor dit soort details maakt dat het massatransport in Mexico-stad zo duidelijk en gebruiksvriendelijk is. Verder is de metro snel, schoon, goedkoop en efficiënt. 'En veilig', zegt Raimon. 'Ook in de avond zie je alleen maar normale mensen. Als ik in Nederland na tien uur de metro nam, zaten er alleen nog petjes en moeilijkkijkers.'

Onze bestemming is het Frida Kahlo museum in de wijk Coyoacan. Terwijl we door het 'Blauwe Huis' lopen vertelt Raimon over de seksuele aberraties van Frida en haar minnaar Diego Rivera, wiens beroemde muurschilderingen ik de voorgaande dagen heb gezien; in het presidentieel paleis op het Zocalo-plein, en in het Palacio des Belles Artes, wat misschien wel het mooiste art deco gebouw ter wereld is.

Het is een stereotiep beeld dat mensen in een grote stad ongelukkig zijn. Dolende zielen, ontheemd en verweesd, die iets verloren zijn toen ze wegtrokken van dorp en natuur. En juist in Mexico-stad, daar waar ik het moderne dystopia dacht te gaan aanschouwen, heeft iedereen het zichtbaar naar zijn zin. Geen stuurse blikken naar de grond, maar open gezichten. Een moderne stad, waar consumptie op een voetstuk staat en de cultus van de I-pod regeert, maar die toch warm aanvoelt: het kan dus wel.

Je voelt de dynamiek van deze stad, huis van 20 miljoen. Je voelt dat er dingen mogelijk zijn, dat de stad ergens heen gaat. Dat de eindbestemming misschien ongewis is, maakt niet uit. De dynamiek creëert energie en dat is voldoende. Voor het eerst begrijp ik het sentiment dat Frank Sinatra verwoordde toen hij zong: 'I want to be a part of it. New York. New York.'

Na het Frida Kahlo is het tijd om te bieren op een pleintje in Coyoacan. Precies zoals we een decennium terug dat ook deden. Alleen is de omgeving nu zoveel aangenamer.

woensdag 5 mei 2010

Logeerpartijtje

De wekker gaat, maar hij rinkelt niet voor mij. Het is acht uur en Kate, mijn gastvrouw voor de laatste twee nachten in Mexico-stad moet naar het werk. Ik kan uitslapen. Kate is dertig-nog-wat en doceert ecologisch verantwoorde en duurzame ontwikkeling (of zoiets) aan de universiteit hier. Ze drukt de wekker uit en zoent haar vriend Ricardo. Daar gaan ze een paar minuten mee door. Eigenlijk iets te lang voor onschuldige ochtendzoenen. Ik hoor alles glashelder omdat ik in de kamer ernaast lig en de deur tussen de kamers open staat. Net als ik denk 'als ze maar niet...', klinkt er de eerste kreun. Ik kreun inwendig en vraag me af of ze mijn aanwezigheid zijn vergeten.

Voor een wip op de vroege ochtend maken ze er geen half werk van. Ik ben gedurende een minuut of twintig gedwongen te luisteren naar het liefdesspel. Ik trek de dekens over m'n hoofd en laat mijn gedachten afdwalen. Het is verrassend hoe snel het kreunen, zoenen en het kraken van het bed verwordt tot achtergrondgeluid. Al snel zijn de seksgeluiden niet vervelender dan het geluid van een trein of een autoweg buiten je slaapkamerraam.

Maar het blijkt niet te vermijden dat af en toe een geluid uit de aanpalende kamer mijn mentale isolatie penetreert: Kate die vraagt of ze niet te snel gaat (waaruit ik concludeer dat zij bovenop zit of ligt) en Kate die roept dat ze klaarkomt. Wat opvalt is de minieme hoeveelheid geluid die Ricardo maakt. Nog geen zucht of kreun komt er uit de Mexicaan.

Soms duurt het verontrustend lang voordat een observatie tot een inzicht leidt. Dit keer kwam het inzicht met acht uur vertraging. Na de bescheiden orgie van het Mexicaans-Britse stel val ik weer in slaap. Een uur later ben ik het voorval vergeten en kan ik Ricardo (Kate is inmiddels met bloedspoed naar het werk vertrokken) zonder veel problemen recht in de ogen kijken. Maar als ik later die dag, lezend in in het Chapultepec park, op een seksscène in A Widow for One Year van John Irving stuit, opent het laatje in de grijze massa met het audiobestand 'onschuldige logé moet coïtus aanhoren', zich opnieuw.

We gingen tegelijkertijd naar bed; alle drie aangeschoten. Kate was naar een concert van de Arctic Monkeys in het Azteken-stadion geweest en Ricardo en ik hebben al drinkend op haar gewacht. Terwijl ik al op m'n matje lig, verdwijnen ze door de deuropening. Kate giechelt, Ricardo zwijgt. Als Ricardo de deur dicht doet, zegt Kate: 'Wil je die open laten, want ik ben een beetje claustrofobisch.'

Ik probeer me te herinneren of Ricardo hierop reageerde. Vanzelfsprekend maakte hij geen geluid, maar waarschijnlijk was de verbazing van zijn gezicht af te lezen. Ik heb het begin van een vermoeden. De twee wonen niet samen, maar zijn nu al zo'n jaar een stel. Het is moeilijk voor te stellen dat Ricardo niet wist dat zijn vriendin claustrofobisch is. Misschien is ze niet claustrofobisch, misschien moest de deur open blijven om een andere reden.

Nu speelt alles zich versneld af: Een wekker gaat. In een ruime kamer die zelfs met de grootste fantasie niet claustrofobisch te noemen is, beklimt een Engelse docente haar Mexicaanse minnaar. Deze sputtert tegen en zegt dat ze te laat op haar werk zal komen. Misschien ook omdat hij weet dat ze, dankzij de open kamerdeur, niet echt alleen zijn. Ze weet van geen wijken en de Mexicaan staakt zijn verzet. Hij heeft een kater en katers maken geil. De seks is luid. Het commentaar erbij is luid. Bijna ostentatief luid... In de kamer ernaast kruipt een logé dieper in zijn slaapzak en denkt aan verre landen.

Ik staar over de rand van mijn boek in het luchtledige. Een eekhoorn staart terug. Verdomme! Ik sla het boek dicht, de eekhoorn schiet een boom in. Ze wilde dat ik het hoorde! Ik kan een grijns niet onderdrukken. Ik herinner me plots ook Kate's opmerking toen ze post-seks uit bed stapte om naar de badkamer te gaan: 'Ik ben trouwens zeer gecharmeerd van onze gast.'

Met de ondergaande zon in mijn ogen loop ik door het park naar de metro. Er komt een nieuwe nacht aan en ik deel een appartement met een geflipte exhibitioniste, die me mogelijk wil inlijven voor een menage-a-trois. Zouden ze nog kuisheidsgordels verkopen?

woensdag 21 april 2010

Een beetje luxe

En een nakomertje uit Nicaragua. Nog immer in Mexico-stad. Voorbehouden dat de aswolk verdwenen is, zet ik op 27 april weer voet op Europese bodem. Blijf nog even hangen, want ik heb nog twee verhalen in de planning.

Ik ben geen omgekeerde snob. Dat zal ik uitleggen. Veel backpackers achten hun manier van reizen superieur ten opzichte van het 'standaard' toerisme. De backpacker neemt lokale bussen, in plaats van een touringcar. De backpacker boekt zijn tickets en accommodatie zelf, daar heeft hij geen reisbureau voor nodig. Op het vliegveld staat er niemand met een bordje om de backpacker op te halen en naar de shuttle van het all-in resort te begeleiden. De backpacker navigeert zichzelf naar een budgethotel midden in de stad, terwijl de toerist al aan zijn tweede Pina Colada bij het zwembad zit.

De backpacker is er van overtuigd dat zijn reiservaring waardevoller is. En daar ben ik het mee eens, maar ik ben geen omgekeerde snob. Een omgekeerde snob is iemand die, zelfs als hij het zich kan veroorloven, altijd een houten hutje op het strand zonder ventilator en badkamer verkiest boven de luxe van airconditioning en een eigen WC. Een backpacker zou zijn neus ophalen voor een nacht in het Best Western Managua Airport, waar ik verblijf omdat ik een etmaal moet wachten op de vlucht naar Guatemala-stad.

Maar ik hou van dit soort hotels, op zijn tijd. Net zoals ik graag bij ketens als Starbucks, Subway en zelfs – op zijn tijd – McDonalds kom. De omgekeerde snob zou tegenwerpen dat een Best Western hotelcomplex er overal ter wereld hetzelfde uitziet. Hij zou iets zeggen in de trant van: 'Thuis kun je ook in een Best Western slapen, daarvoor hoef je niet naar Nicaragua. Waar is de authenticiteit, de couleur locale?'

De omgekeerde snob wordt fysiek misselijk van westerse luxe, maar god wat ben ik blij met mijn kamer. Eindelijk heb ik weer een warme douche. De laag vuil van Little Corn Island die zich op mijn voeten heeft verzameld, verdwijnt met water en zeep in het afvoerputje. Voor het eerst in maanden zijn mijn voeten weer helemaal schoon. Er zijn zachte, witte handdoeken en kleine flesjes zeep, shampoo en bodylotion (die natuurlijk in de rugzak verdwijnen).

De spiegel in de badkamer is groter dat menig bed waarin ik heb geslapen. Sinds lange tijd hoef ik niet te bukken om mijn gezicht te zien. Ik scheer mijn gezicht en mijn hoofd en voel me heel schoon. Als ik nog haar had dan zou je het horen piepen als je een pluk tussen je vingers nam. Zo schoon ben ik.

Ik lig op bed, drink water uit een flesje met het hotellabel erop, zap een uur lang langs tweehonderd kanalen en schud langzaam de vermoeidheid van de vliegreis af. Dan trek ik een overhemd aan en verlaat de kamer. De laptop blijft aan om films te downloaden. Ik wil zo veel mogelijk uit het draadloze internet halen.

Het Best Western Managua Airport is een een ommuurd complex met één verdieping. De kamers zijn afzonderlijke gebouwtjes aan weerszijden van corridors met roze-bruine stenen en een doorzichtige kunststof overkapping. Het is buiten, maar voelt als binnen. Er zijn perkjes met tropische planten. De namen staan in het Spaans, Engels en Latijn op de bordjes te lezen.

Op weg naar het restaurant kom ik langs de fitnessruimte, de sauna en het zwembad. Ik neem me voor er de volgende ochtend gebruik van te maken en overweeg een massage. Na het eten ga ik op zoek naar de bar. In dit soort hotels fantaseer ik vaak over een ontmoeting met een oudere dame. Misschien is ze een Amerikaanse carrièrevrouw van begin veertig. Intelligent, succesvol en rijk. Na het werk doet ze vier keer per week aan pilates en power-yoga. Ze heeft geen tijd voor een sociaal leven, afgezien van toevallige ontmoetingen met jongere mannen in de bar van een Best Western als ze op zakenreis is. Het gesprek duurt niet langer dan de tijd die nodig is om twee Bourbon Sour te drinken en eindigt met de vraag 'jouw kamer of de mijne'?

Natuurlijk is er niemand in de bar die aan bovenstaande beschrijving voldoet. Een Amerikaanse man leest een boek en een Guatmalteekse handelsreiziger praat met de Nicaraguaanse barman. Dat was het. Ik drink twee vodka-sprite's en wandel terug naar mijn kamer, die heerlijk koel is. Om elf uur val ik als een blok in slaap.

Als het twaalf uur later tijd is om uit te checken voel ik me als herboren. De lobby staat vol met samsonite-koffers op wieltjes. Ik zie er gek uit met mijn rugzak. Net zo min als de backpackers weigeren zich aan deze gladgestreken luxe over te geven, weigeren deze mensen zich op het avonturierspad te begeven. Ik ben in mijn nopjes. Ik waan me een reiziger tussen werelden, generaties, standen, rangen, klassen en culturen; de ultieme reiziger.

woensdag 14 april 2010

Zoek je niche!

Een nakomertje uit Guatemala. Voor de goede orde: inmiddels ben ik veilig aangekomen in Mexico-Stad waar ik van de gastvrijheid geniet van vriend Raimon.

Voor de normale, weldenkende toerist is het niet eenvoudig een plek langs het Lago Atitlan te vinden die bekoord. Atitlan is een omgeving van natuurlijke en sociale extremen. De reiziger arriveert in het stadje Panajachel, waar niemand blijft, en laat zich met een bootje overzetten naar één van de dorpen rondom het meer. Wegen tussen de dorpen zijn er niet, alleen rotsachtige paden.

Ik verken een rustiek gehucht met de naam San Marcos. Het is er aangenamer dan het nabijgelegen San Pedro: het Ibiza van het meer, met clubs en pubs, bier en drugs en heel veel internet-cafés . Alles wat jong, dom en geil is, verblijft er. Niet zo heel lang geleden had ik hier mijn backpack afgedaan, maar nu gruwel ik van het idee.

Het isolement van de verschillende dorpen maakt dat er sprake is van een absurde vorm van vrijwillige, sociale segregatie. Het lievelijke San Marcos blijkt een toevluchtsoord te zijn voor hippies. Het stikt ervan. Ik zie bordjes die zen-yoga en reiki adverteren. En maan-therapie, regressietherapie, finse sauna's, indiase hoofdmassages, astrologie, kabbalah, kristal-therapie, nog vijf soorten yoga, en sessies waarin je je zesde chakra of totemdier (of beide) kan vinden. Al het ziels- en lichaamsgekneip wordt omschreven als 'holistisch': een woord dat tegenwoordig hevig aan erosie onderhevig is en slechts met grote terughoudendheid gebruikt dient te worden. Een westerse peuter jaagt achter een hond aan, op een katoenen luier en een traditionele kralenketting na, is hij naakt.

Ik loop verdwaasd en peinzend in San Marcos rond. Al die zogenaamde individuen, al die unieke geesten, met hun spiritualiteit en innerlijke kracht, kiezen ervoor om tegen elkaar aan te schurken op één vierkante kilometer. Alles is ook 'eco'. Honderden 'wereldverbeteraars' die ervoor kiezen zich te vestigen in een afgelegen negorij, om zich elke dag bevestigd te zien in hun denken door gelijkgestemden. Zo komen waanideeën de wereld in.

Sinds de Maya's rond het Lago Atitlan hun natuurgoden vereerden (en misschien wel eerder) hebben mensen redenen gezien om zich hier te vestigen. In deze woeste omgeving een leven opbouwen is niet eenvoudig en, op het eerste gezicht, geen logische keus. Het adembenemend mooie meer is geheel omsloten door steile bergen en vulkanen en nog altijd slechts bereikbaar door een lange tweebaansweg met eindeloze haarspeldbochten.

Die ochtend is het meer vlak als een spiegel. Vanaf de waterrand schiet het land de hoogte in. Boeren verbouwen hun gewassen onder een hoek van 60 graden. Er is vrijwel geen vlak stukje land te vinden, hooguit in de kleine uitsparingen aan het water waar de Maya-stammen zich oorspronkelijk vestigden. De dorpen dragen nu christelijke namen. De tuk-tuk is populair, want het is geen sinecure om elke dag naar huis te moeten klimmen.

Iemand raadt me Santa Cruz aan. In een dorp als San Marcos, waar iedereen Indiase flodderbroeken met het kruis tot op de knieën draagt, lees ik zijn geestelijke gezondheid af aan zijn Levi's. Ik wacht een klein kwartier op een lift. De polyester schuit ploegt door de golven richting Santa Cruz. We stoppen in Tzununa waar alle lokale vrouwen in hun traditionele paarsrode gewaden uitstappen. De boodschappen zijn bijeengebonden in een even kleurrijke doek die op het hoofd gedragen word. De kapitein van de boot heeft Eminem opstaan.

Onderweg vergapen we ons aan de optrekjes van de ultrarijken, die tegen de heuvels zijn aangebouwd. Soms is de helling zo steil dat de rotswand de achtermuur vormt. Ze doen denken aan een kruising tussen Minas Tirith, de hangende tuinen van Babylon en Barbie's droomhuis. Deze paleizen beslaan meerdere niveaus, beginnend bij een steiger aan de waterrand en dan verder omhoog via met mozaïek versierde plateaus. Het is hier niet mogelijk om alle verblijven onder één dak te vestigen. Het eerste niveau herbergt misschien het zwembad en de bar, daarboven zijn de gastenverblijven of de keuken of het woongedeelte. Maar bovenin na vijf of zes kronkelende stenen trappen, tientallen meters boven het meer, bevindt zich zonder uitzondering het verblijf van de kasteelheer.

De villa's mogen dan verspreid zijn over het meer, dat neemt niet weg dat alles dat rijk en blank is, elkaar net zo goed weet te vinden als de hippies in San Marcos. Men ontmoet elkaar in de sauna, tijdens de pedicure of manicure, in een cocktailbar of bij een vernissage. Dit meer wordt gedeeld door vrouwen die een klein vermogen uitgeven aan professionele ontharing en vrouwen die weigeren hun okselhaar te scheren. Soms is de wereld een farce.

De gemiddelde reiziger in Santa Cruz blijkt inderdaad niet zo stereotype als degene in San Pedro en San Marcos. Er zijn vanzelfsprekend een paar eco-gekken – terwijl elders in de wereld mensen bidden om riolering zodat eindelijk de cholera beteugeld kan worden, vertelt een Amerikaans stel vol trots dat ze een week in een pot hebben gescheten om water te besparen. Maar ze zijn niet overdreven zichtbaar. In mijn hostel verblijven gasten van allerlei pluimage, je kan er een bed op zaal krijgen voor 3 dollar en een kamer met warme douche voor 30 dollar en alles ertussenin.

De tent wordt bestiert door een Brits-Amerikaans stel, maar werd begonnen door een man die zich Sarito noemt. Sarito is nu tachtig en heeft witte haren en dito baard. In het Santa Cruz anno 2010 is hij een beetje een vreemde eend in bijt. Hij is opmerkelijk scherp. Vlak na de Tweede Wereldoorlog was hij kort in Amsterdam. Ook nu nog lepelt hij zonder moeite straatnamen op. 'Ik was een bewonderaar van jullie architect Dudok. Hoe heet dat plaatsje ook al weer, waar hij al die huizen heeft ontworpen?' 'Hilversum'.

Sarito vertelt over zijn omzwervingen door de wereld. En over zijn tijd als beatnik (ik weet als één van de weinige jonkies wie Ginsberg en Kerouac zijn, dus Sarito vertelt naar hartenlust). Na de beatniks was Sarito een gelukkig getrouwde zakenman in Australië. 'Maar dat liep fout, en toen werd ik een hippie.' Iets in deze zin doet mijn nekharen overeind staan. Ik luister naar Sarito's verhalen over ashrams in India en langzaam verdwijnt mijn bewondering voor de man. Het is een meeloper: van de beats, naar de hippies, naar een geïsoleerde kolonie van boomknuffelaars.

Ik bedenk dat het niet de levensovertuigingen zijn die me soms tegenstaan in mensen, maar het kuddegedrag dat er zo vaak mee gepaard gaat. Hippies, beatniks, katholieken, protestanten, ashrams, communisten, scientology-aanhangers, boeddhisten, krakers, Nazi's, het groepje op het schoolplein: ongeacht de dogma's en doctrines, dankt elke kliek in de geschiedenis haar bestaansrecht aan de angst van mensen om alleen te zijn. We zijn allemaal op zoek naar zingeving, naar een structuur van gelijkdenkenden om ons heen en iemand die ons vertelt hoe deze wereld (en de volgende) in elkaar steekt. De homo sapiens houdt niet van chaos. Ik wens Andrew – zoals Sarito echt heet – een goede nachtrust toe.

In de volgende dagen ontdek ik dat niet alleen de westerlingen er een scherp gedefinieerde visie op de samenleving op nahouden. Een religieuze groepering van lokalen dringt in het weekend gewapend en gemaskerd de bars van San Pedro binnen. Ze sturen de toeristen naar huis en dwingen de uitbaters tot sluiten. San Pedro moet worden heroverd in de naam van de heer.

Zoveel bevlogenheid en energie voor wat in essentie slechts ideeën zijn. Ik kan er met mijn hoofd niet altijd bij. De lokalen verdedigen dan nog hun woonplaats (aan de andere kant: als je lang genoeg teruggaat in de geschiedenis, zijn we allemaal immigranten), maar van de westerlingen krijg ik het idee dat ze de echte samenleving allang gedag hebben gezegd. Ze filosoferen zich naar een betere wereld, maar in de praktijk is het niet meer dan één grote cultus van hedonisme. Goed, er worden af en toe acties georganiseerd waarbij zwerfvuil wordt opgeraapt en waarbij duikers rietstengels in het meer planten om de vervuiling tegen te gaan, en dat is prima. Maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de lopende band medewerker in Detroit of de boer op Sumatra meer bijdraagt aan de vooruitgang dan de escapisten van Atitlan.

Maar de hamvraag is natuurlijk of ik zelf – nu zo'n 150 dagen op vakantie – niet onderdeel ben van het probleem?

zaterdag 10 april 2010

Pasta

Mijn tandpasta is al een paar dagen op, dus gebruik ik die van haar. Morgen verlaat ze Palenque. Ze neemt haar tandpasta mee naar Guatemala. Ik maak een mentale aantekening om bij de drogist langs te gaan. Mijn bus naar Mexico-stad vertrekt in de avond. Haar wekker gaat al om 5 uur 's ochtends. Ze maakt haar toilet en pakt stilletjes de laatste zaken in, waaronder de tandpasta. Ik word half wakker als ze gedag zegt.

Vier uur later is het tijd voor de ochtendplas. Bij het handen wassen, zie ik mijn tandenborstel naast de wasbak. Op de blauw-witte haren prijkt een klodder roze tandpasta.