woensdag 5 mei 2010

Logeerpartijtje

De wekker gaat, maar hij rinkelt niet voor mij. Het is acht uur en Kate, mijn gastvrouw voor de laatste twee nachten in Mexico-stad moet naar het werk. Ik kan uitslapen. Kate is dertig-nog-wat en doceert ecologisch verantwoorde en duurzame ontwikkeling (of zoiets) aan de universiteit hier. Ze drukt de wekker uit en zoent haar vriend Ricardo. Daar gaan ze een paar minuten mee door. Eigenlijk iets te lang voor onschuldige ochtendzoenen. Ik hoor alles glashelder omdat ik in de kamer ernaast lig en de deur tussen de kamers open staat. Net als ik denk 'als ze maar niet...', klinkt er de eerste kreun. Ik kreun inwendig en vraag me af of ze mijn aanwezigheid zijn vergeten.

Voor een wip op de vroege ochtend maken ze er geen half werk van. Ik ben gedurende een minuut of twintig gedwongen te luisteren naar het liefdesspel. Ik trek de dekens over m'n hoofd en laat mijn gedachten afdwalen. Het is verrassend hoe snel het kreunen, zoenen en het kraken van het bed verwordt tot achtergrondgeluid. Al snel zijn de seksgeluiden niet vervelender dan het geluid van een trein of een autoweg buiten je slaapkamerraam.

Maar het blijkt niet te vermijden dat af en toe een geluid uit de aanpalende kamer mijn mentale isolatie penetreert: Kate die vraagt of ze niet te snel gaat (waaruit ik concludeer dat zij bovenop zit of ligt) en Kate die roept dat ze klaarkomt. Wat opvalt is de minieme hoeveelheid geluid die Ricardo maakt. Nog geen zucht of kreun komt er uit de Mexicaan.

Soms duurt het verontrustend lang voordat een observatie tot een inzicht leidt. Dit keer kwam het inzicht met acht uur vertraging. Na de bescheiden orgie van het Mexicaans-Britse stel val ik weer in slaap. Een uur later ben ik het voorval vergeten en kan ik Ricardo (Kate is inmiddels met bloedspoed naar het werk vertrokken) zonder veel problemen recht in de ogen kijken. Maar als ik later die dag, lezend in in het Chapultepec park, op een seksscène in A Widow for One Year van John Irving stuit, opent het laatje in de grijze massa met het audiobestand 'onschuldige logé moet coïtus aanhoren', zich opnieuw.

We gingen tegelijkertijd naar bed; alle drie aangeschoten. Kate was naar een concert van de Arctic Monkeys in het Azteken-stadion geweest en Ricardo en ik hebben al drinkend op haar gewacht. Terwijl ik al op m'n matje lig, verdwijnen ze door de deuropening. Kate giechelt, Ricardo zwijgt. Als Ricardo de deur dicht doet, zegt Kate: 'Wil je die open laten, want ik ben een beetje claustrofobisch.'

Ik probeer me te herinneren of Ricardo hierop reageerde. Vanzelfsprekend maakte hij geen geluid, maar waarschijnlijk was de verbazing van zijn gezicht af te lezen. Ik heb het begin van een vermoeden. De twee wonen niet samen, maar zijn nu al zo'n jaar een stel. Het is moeilijk voor te stellen dat Ricardo niet wist dat zijn vriendin claustrofobisch is. Misschien is ze niet claustrofobisch, misschien moest de deur open blijven om een andere reden.

Nu speelt alles zich versneld af: Een wekker gaat. In een ruime kamer die zelfs met de grootste fantasie niet claustrofobisch te noemen is, beklimt een Engelse docente haar Mexicaanse minnaar. Deze sputtert tegen en zegt dat ze te laat op haar werk zal komen. Misschien ook omdat hij weet dat ze, dankzij de open kamerdeur, niet echt alleen zijn. Ze weet van geen wijken en de Mexicaan staakt zijn verzet. Hij heeft een kater en katers maken geil. De seks is luid. Het commentaar erbij is luid. Bijna ostentatief luid... In de kamer ernaast kruipt een logé dieper in zijn slaapzak en denkt aan verre landen.

Ik staar over de rand van mijn boek in het luchtledige. Een eekhoorn staart terug. Verdomme! Ik sla het boek dicht, de eekhoorn schiet een boom in. Ze wilde dat ik het hoorde! Ik kan een grijns niet onderdrukken. Ik herinner me plots ook Kate's opmerking toen ze post-seks uit bed stapte om naar de badkamer te gaan: 'Ik ben trouwens zeer gecharmeerd van onze gast.'

Met de ondergaande zon in mijn ogen loop ik door het park naar de metro. Er komt een nieuwe nacht aan en ik deel een appartement met een geflipte exhibitioniste, die me mogelijk wil inlijven voor een menage-a-trois. Zouden ze nog kuisheidsgordels verkopen?

woensdag 21 april 2010

Een beetje luxe

En een nakomertje uit Nicaragua. Nog immer in Mexico-stad. Voorbehouden dat de aswolk verdwenen is, zet ik op 27 april weer voet op Europese bodem. Blijf nog even hangen, want ik heb nog twee verhalen in de planning.

Ik ben geen omgekeerde snob. Dat zal ik uitleggen. Veel backpackers achten hun manier van reizen superieur ten opzichte van het 'standaard' toerisme. De backpacker neemt lokale bussen, in plaats van een touringcar. De backpacker boekt zijn tickets en accommodatie zelf, daar heeft hij geen reisbureau voor nodig. Op het vliegveld staat er niemand met een bordje om de backpacker op te halen en naar de shuttle van het all-in resort te begeleiden. De backpacker navigeert zichzelf naar een budgethotel midden in de stad, terwijl de toerist al aan zijn tweede Pina Colada bij het zwembad zit.

De backpacker is er van overtuigd dat zijn reiservaring waardevoller is. En daar ben ik het mee eens, maar ik ben geen omgekeerde snob. Een omgekeerde snob is iemand die, zelfs als hij het zich kan veroorloven, altijd een houten hutje op het strand zonder ventilator en badkamer verkiest boven de luxe van airconditioning en een eigen WC. Een backpacker zou zijn neus ophalen voor een nacht in het Best Western Managua Airport, waar ik verblijf omdat ik een etmaal moet wachten op de vlucht naar Guatemala-stad.

Maar ik hou van dit soort hotels, op zijn tijd. Net zoals ik graag bij ketens als Starbucks, Subway en zelfs – op zijn tijd – McDonalds kom. De omgekeerde snob zou tegenwerpen dat een Best Western hotelcomplex er overal ter wereld hetzelfde uitziet. Hij zou iets zeggen in de trant van: 'Thuis kun je ook in een Best Western slapen, daarvoor hoef je niet naar Nicaragua. Waar is de authenticiteit, de couleur locale?'

De omgekeerde snob wordt fysiek misselijk van westerse luxe, maar god wat ben ik blij met mijn kamer. Eindelijk heb ik weer een warme douche. De laag vuil van Little Corn Island die zich op mijn voeten heeft verzameld, verdwijnt met water en zeep in het afvoerputje. Voor het eerst in maanden zijn mijn voeten weer helemaal schoon. Er zijn zachte, witte handdoeken en kleine flesjes zeep, shampoo en bodylotion (die natuurlijk in de rugzak verdwijnen).

De spiegel in de badkamer is groter dat menig bed waarin ik heb geslapen. Sinds lange tijd hoef ik niet te bukken om mijn gezicht te zien. Ik scheer mijn gezicht en mijn hoofd en voel me heel schoon. Als ik nog haar had dan zou je het horen piepen als je een pluk tussen je vingers nam. Zo schoon ben ik.

Ik lig op bed, drink water uit een flesje met het hotellabel erop, zap een uur lang langs tweehonderd kanalen en schud langzaam de vermoeidheid van de vliegreis af. Dan trek ik een overhemd aan en verlaat de kamer. De laptop blijft aan om films te downloaden. Ik wil zo veel mogelijk uit het draadloze internet halen.

Het Best Western Managua Airport is een een ommuurd complex met één verdieping. De kamers zijn afzonderlijke gebouwtjes aan weerszijden van corridors met roze-bruine stenen en een doorzichtige kunststof overkapping. Het is buiten, maar voelt als binnen. Er zijn perkjes met tropische planten. De namen staan in het Spaans, Engels en Latijn op de bordjes te lezen.

Op weg naar het restaurant kom ik langs de fitnessruimte, de sauna en het zwembad. Ik neem me voor er de volgende ochtend gebruik van te maken en overweeg een massage. Na het eten ga ik op zoek naar de bar. In dit soort hotels fantaseer ik vaak over een ontmoeting met een oudere dame. Misschien is ze een Amerikaanse carrièrevrouw van begin veertig. Intelligent, succesvol en rijk. Na het werk doet ze vier keer per week aan pilates en power-yoga. Ze heeft geen tijd voor een sociaal leven, afgezien van toevallige ontmoetingen met jongere mannen in de bar van een Best Western als ze op zakenreis is. Het gesprek duurt niet langer dan de tijd die nodig is om twee Bourbon Sour te drinken en eindigt met de vraag 'jouw kamer of de mijne'?

Natuurlijk is er niemand in de bar die aan bovenstaande beschrijving voldoet. Een Amerikaanse man leest een boek en een Guatmalteekse handelsreiziger praat met de Nicaraguaanse barman. Dat was het. Ik drink twee vodka-sprite's en wandel terug naar mijn kamer, die heerlijk koel is. Om elf uur val ik als een blok in slaap.

Als het twaalf uur later tijd is om uit te checken voel ik me als herboren. De lobby staat vol met samsonite-koffers op wieltjes. Ik zie er gek uit met mijn rugzak. Net zo min als de backpackers weigeren zich aan deze gladgestreken luxe over te geven, weigeren deze mensen zich op het avonturierspad te begeven. Ik ben in mijn nopjes. Ik waan me een reiziger tussen werelden, generaties, standen, rangen, klassen en culturen; de ultieme reiziger.

woensdag 14 april 2010

Zoek je niche!

Een nakomertje uit Guatemala. Voor de goede orde: inmiddels ben ik veilig aangekomen in Mexico-Stad waar ik van de gastvrijheid geniet van vriend Raimon.

Voor de normale, weldenkende toerist is het niet eenvoudig een plek langs het Lago Atitlan te vinden die bekoord. Atitlan is een omgeving van natuurlijke en sociale extremen. De reiziger arriveert in het stadje Panajachel, waar niemand blijft, en laat zich met een bootje overzetten naar één van de dorpen rondom het meer. Wegen tussen de dorpen zijn er niet, alleen rotsachtige paden.

Ik verken een rustiek gehucht met de naam San Marcos. Het is er aangenamer dan het nabijgelegen San Pedro: het Ibiza van het meer, met clubs en pubs, bier en drugs en heel veel internet-cafés . Alles wat jong, dom en geil is, verblijft er. Niet zo heel lang geleden had ik hier mijn backpack afgedaan, maar nu gruwel ik van het idee.

Het isolement van de verschillende dorpen maakt dat er sprake is van een absurde vorm van vrijwillige, sociale segregatie. Het lievelijke San Marcos blijkt een toevluchtsoord te zijn voor hippies. Het stikt ervan. Ik zie bordjes die zen-yoga en reiki adverteren. En maan-therapie, regressietherapie, finse sauna's, indiase hoofdmassages, astrologie, kabbalah, kristal-therapie, nog vijf soorten yoga, en sessies waarin je je zesde chakra of totemdier (of beide) kan vinden. Al het ziels- en lichaamsgekneip wordt omschreven als 'holistisch': een woord dat tegenwoordig hevig aan erosie onderhevig is en slechts met grote terughoudendheid gebruikt dient te worden. Een westerse peuter jaagt achter een hond aan, op een katoenen luier en een traditionele kralenketting na, is hij naakt.

Ik loop verdwaasd en peinzend in San Marcos rond. Al die zogenaamde individuen, al die unieke geesten, met hun spiritualiteit en innerlijke kracht, kiezen ervoor om tegen elkaar aan te schurken op één vierkante kilometer. Alles is ook 'eco'. Honderden 'wereldverbeteraars' die ervoor kiezen zich te vestigen in een afgelegen negorij, om zich elke dag bevestigd te zien in hun denken door gelijkgestemden. Zo komen waanideeën de wereld in.

Sinds de Maya's rond het Lago Atitlan hun natuurgoden vereerden (en misschien wel eerder) hebben mensen redenen gezien om zich hier te vestigen. In deze woeste omgeving een leven opbouwen is niet eenvoudig en, op het eerste gezicht, geen logische keus. Het adembenemend mooie meer is geheel omsloten door steile bergen en vulkanen en nog altijd slechts bereikbaar door een lange tweebaansweg met eindeloze haarspeldbochten.

Die ochtend is het meer vlak als een spiegel. Vanaf de waterrand schiet het land de hoogte in. Boeren verbouwen hun gewassen onder een hoek van 60 graden. Er is vrijwel geen vlak stukje land te vinden, hooguit in de kleine uitsparingen aan het water waar de Maya-stammen zich oorspronkelijk vestigden. De dorpen dragen nu christelijke namen. De tuk-tuk is populair, want het is geen sinecure om elke dag naar huis te moeten klimmen.

Iemand raadt me Santa Cruz aan. In een dorp als San Marcos, waar iedereen Indiase flodderbroeken met het kruis tot op de knieën draagt, lees ik zijn geestelijke gezondheid af aan zijn Levi's. Ik wacht een klein kwartier op een lift. De polyester schuit ploegt door de golven richting Santa Cruz. We stoppen in Tzununa waar alle lokale vrouwen in hun traditionele paarsrode gewaden uitstappen. De boodschappen zijn bijeengebonden in een even kleurrijke doek die op het hoofd gedragen word. De kapitein van de boot heeft Eminem opstaan.

Onderweg vergapen we ons aan de optrekjes van de ultrarijken, die tegen de heuvels zijn aangebouwd. Soms is de helling zo steil dat de rotswand de achtermuur vormt. Ze doen denken aan een kruising tussen Minas Tirith, de hangende tuinen van Babylon en Barbie's droomhuis. Deze paleizen beslaan meerdere niveaus, beginnend bij een steiger aan de waterrand en dan verder omhoog via met mozaïek versierde plateaus. Het is hier niet mogelijk om alle verblijven onder één dak te vestigen. Het eerste niveau herbergt misschien het zwembad en de bar, daarboven zijn de gastenverblijven of de keuken of het woongedeelte. Maar bovenin na vijf of zes kronkelende stenen trappen, tientallen meters boven het meer, bevindt zich zonder uitzondering het verblijf van de kasteelheer.

De villa's mogen dan verspreid zijn over het meer, dat neemt niet weg dat alles dat rijk en blank is, elkaar net zo goed weet te vinden als de hippies in San Marcos. Men ontmoet elkaar in de sauna, tijdens de pedicure of manicure, in een cocktailbar of bij een vernissage. Dit meer wordt gedeeld door vrouwen die een klein vermogen uitgeven aan professionele ontharing en vrouwen die weigeren hun okselhaar te scheren. Soms is de wereld een farce.

De gemiddelde reiziger in Santa Cruz blijkt inderdaad niet zo stereotype als degene in San Pedro en San Marcos. Er zijn vanzelfsprekend een paar eco-gekken – terwijl elders in de wereld mensen bidden om riolering zodat eindelijk de cholera beteugeld kan worden, vertelt een Amerikaans stel vol trots dat ze een week in een pot hebben gescheten om water te besparen. Maar ze zijn niet overdreven zichtbaar. In mijn hostel verblijven gasten van allerlei pluimage, je kan er een bed op zaal krijgen voor 3 dollar en een kamer met warme douche voor 30 dollar en alles ertussenin.

De tent wordt bestiert door een Brits-Amerikaans stel, maar werd begonnen door een man die zich Sarito noemt. Sarito is nu tachtig en heeft witte haren en dito baard. In het Santa Cruz anno 2010 is hij een beetje een vreemde eend in bijt. Hij is opmerkelijk scherp. Vlak na de Tweede Wereldoorlog was hij kort in Amsterdam. Ook nu nog lepelt hij zonder moeite straatnamen op. 'Ik was een bewonderaar van jullie architect Dudok. Hoe heet dat plaatsje ook al weer, waar hij al die huizen heeft ontworpen?' 'Hilversum'.

Sarito vertelt over zijn omzwervingen door de wereld. En over zijn tijd als beatnik (ik weet als één van de weinige jonkies wie Ginsberg en Kerouac zijn, dus Sarito vertelt naar hartenlust). Na de beatniks was Sarito een gelukkig getrouwde zakenman in Australië. 'Maar dat liep fout, en toen werd ik een hippie.' Iets in deze zin doet mijn nekharen overeind staan. Ik luister naar Sarito's verhalen over ashrams in India en langzaam verdwijnt mijn bewondering voor de man. Het is een meeloper: van de beats, naar de hippies, naar een geïsoleerde kolonie van boomknuffelaars.

Ik bedenk dat het niet de levensovertuigingen zijn die me soms tegenstaan in mensen, maar het kuddegedrag dat er zo vaak mee gepaard gaat. Hippies, beatniks, katholieken, protestanten, ashrams, communisten, scientology-aanhangers, boeddhisten, krakers, Nazi's, het groepje op het schoolplein: ongeacht de dogma's en doctrines, dankt elke kliek in de geschiedenis haar bestaansrecht aan de angst van mensen om alleen te zijn. We zijn allemaal op zoek naar zingeving, naar een structuur van gelijkdenkenden om ons heen en iemand die ons vertelt hoe deze wereld (en de volgende) in elkaar steekt. De homo sapiens houdt niet van chaos. Ik wens Andrew – zoals Sarito echt heet – een goede nachtrust toe.

In de volgende dagen ontdek ik dat niet alleen de westerlingen er een scherp gedefinieerde visie op de samenleving op nahouden. Een religieuze groepering van lokalen dringt in het weekend gewapend en gemaskerd de bars van San Pedro binnen. Ze sturen de toeristen naar huis en dwingen de uitbaters tot sluiten. San Pedro moet worden heroverd in de naam van de heer.

Zoveel bevlogenheid en energie voor wat in essentie slechts ideeën zijn. Ik kan er met mijn hoofd niet altijd bij. De lokalen verdedigen dan nog hun woonplaats (aan de andere kant: als je lang genoeg teruggaat in de geschiedenis, zijn we allemaal immigranten), maar van de westerlingen krijg ik het idee dat ze de echte samenleving allang gedag hebben gezegd. Ze filosoferen zich naar een betere wereld, maar in de praktijk is het niet meer dan één grote cultus van hedonisme. Goed, er worden af en toe acties georganiseerd waarbij zwerfvuil wordt opgeraapt en waarbij duikers rietstengels in het meer planten om de vervuiling tegen te gaan, en dat is prima. Maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de lopende band medewerker in Detroit of de boer op Sumatra meer bijdraagt aan de vooruitgang dan de escapisten van Atitlan.

Maar de hamvraag is natuurlijk of ik zelf – nu zo'n 150 dagen op vakantie – niet onderdeel ben van het probleem?

zaterdag 10 april 2010

Pasta

Mijn tandpasta is al een paar dagen op, dus gebruik ik die van haar. Morgen verlaat ze Palenque. Ze neemt haar tandpasta mee naar Guatemala. Ik maak een mentale aantekening om bij de drogist langs te gaan. Mijn bus naar Mexico-stad vertrekt in de avond. Haar wekker gaat al om 5 uur 's ochtends. Ze maakt haar toilet en pakt stilletjes de laatste zaken in, waaronder de tandpasta. Ik word half wakker als ze gedag zegt.

Vier uur later is het tijd voor de ochtendplas. Bij het handen wassen, zie ik mijn tandenborstel naast de wasbak. Op de blauw-witte haren prijkt een klodder roze tandpasta.

vrijdag 19 maart 2010

Sjieke dief

Na vijf maanden Midden-Amerika ben ik niet beroofd, bestolen, overvallen, opgelicht, verkracht of vermoord. Zelfs mijn zakken zijn – voor zover ik weet – niet gerold. Ik ben gevrijwaard gebleven van alle criminaliteit waar dit deel van dit wereld – deels onterecht – bekend om staat. Tot vorige week.

Ik verliet de betonnen jungle van Guatemala-stad direct na aankomst op het vliegveld. De taxirit naar Antigua, de vroegere koloniale hoofdstad, duurde korter dan verwacht en zodoende heb ik bij aankomst geen idee waar ik wil verblijven.

Ik laat me afzetten in het Parque Central, dat omgeven is door oude regeringsgebouwen en een kathedraal. In de namiddagzon maak ik het me gemakkelijk op een bankje en haal de Lonely Planet tevoorschijn. Op de achtergrond klatert de fontein, die bestaat uit sculpturen van naakte vrouwen. Ze houden hun handen voor de borsten. Tussen hun vingers door spuit water. Zakenmannen en studenten gebruiken hun laptop (in Guatemala wordt de was nog met de hand gedaan, maar draadloos internet is overal). Schoolkinderen kopen mierzoete versnaperingen. Toeristen maken foto's. Mijn natuurlijke argwaan zakt tot een nulpunt.

Twee mannen van een jaar of vijftig stappen op me af. Ze dragen beiden een blauw overhemd met het logo van een reisbureau. Om hun nek hangt identificatie met foto. Hun grijzende haar is strak naar achteren gekamd. Ze zien er gesoigneerd uit. De vraag: heb ik interesse om morgen Pacaya, een actieve vulkaan te beklimmen. De prijs is twintig dollar. Ik dien warme kleren, water, iets te eten en wat kleingeld mee te nemen, zodat ik een stok kan kopen bij één van de kinderen aan de voet van berg. Dat maakt het klimmen een stuk makkelijker. We hebben een geanimeerd gesprek in het Spaans, maar wanneer ik vastloop schakelen de heren moeiteloos over in het Engels. Ik betaal twintig dollar en krijg een reçu.

De volgende dag sta ik om twee uur op de afgesproken plek. Jullie voelen hem al aankomen: geen bus, geen gesoigneerde welbespraakte gids te zien. Ik loop naar het kantoor van de touroperator en vraag of de excursie van twee uur al vertrokken is. 'Ja, je bent te laat, waarom stond je niet hier om twee uur?' 'Omdat jullie me vertelden dat de tour vanaf café Condessa vertrok!', zeg ik. Ik laat mijn ontvangstbewijs zien. 'Sorry jongen, maar je bent opgelicht.'

Goed het is maar twintig dollar, daar gaan we niet dramatisch over doen. Nauwelijks een stukje waard. Ik haal het aan om wat er daarna gebeurde. De eigenaar belt direct met het hoofd van Iquat, de plaatselijke VVV. Het is een geagiteerd gesprek en ik begrijp dat hij eist dat er eindelijk wat gedaan wordt aan de oplichters. 'Als je morgen langs gaat bij Iquat krijg je je twintig dollar terug', zegt hij nadat hij heeft opgehangen. 'En ik bel nu de chauffeur van de bus op en zeg dat hij omkeert. Dan mag je gratis mee.'

Ook dat is Guatemala.

zaterdag 13 maart 2010

Tabula rasa

Het is lekker om weer onderweg te zijn. En om al m'n bezittingen weer op de rug te dragen geeft een opgeruimd gevoel. Mijn hotelkamer zag er de laatste tijd uit alsof er een bom was ontploft.

Ik kijk ernaar uit om mezelf opnieuw te kunnen uitvinden op een andere plek. Het grootste genot van reizen is los te zijn van alle sociale banden. Daar waar niemand je kent, kun je zijn wie je wilt zijn. Je hebt zo veel of zo weinig verleden als je maar wenst.

Op Little Corn Island bleef ik te lang en werd ik op een dag wakker als een onderdeel van een sociaal netwerk. Mensen dachten me te kennen en ik dacht hen te kennen. Ik had een mening over hen en zij hadden een mening over mij.

Zodra deze eerste beeldvorming heeft plaatsgevonden valt hij slechts met pijn, moeite en tijd aan te passen. Misschien heb je dingen gezegd waar je spijt van hebt, misschien waren er momenten waar je het naliet iets te zeggen. Hoe dan ook: je hebt ankers uitgegooid. Een volgende interactie nuanceert het beeld hooguit. Door nuance op nuance te stapelen, leren homo sapiens elkaar stukje bij beetje kennen.

Maar dat is een inspanning die doorgaans bewaard wordt voor de echte wereld en waar de reizende escapist weinig geduld voor heeft. Het idee om opnieuw te kunnen beginnen in een omgeving vol vreemden maakt me ongeduldig en gretig.

Of ik doe het omgekeerde en vlieg eerst een tijdje onder de radar. Wekenlang met niemand praten is namelijk ook een privilege dat exclusief aan de reiziger toevalt.

vrijdag 5 maart 2010

Eilandkoorts

Krijg toch allemaal de kolere, val voor mijn part allemaal dood!

Eerlijk waar, niemand geeft ene bal om jullie zweterige eilandje. Ja meneer de duikinstucteur, je hoort het goed. Ik ben het zat om elke avond de verhalen over je veroveringen aan te moeten horen. Je bezit de emotionele reikwijdte van een fruitvlieg. In de echte wereld ben je geen stuiver waard, daarom leef je hier. Maar ik zal het nooit in je gezicht zeggen. Want daar is dit incestueuze eiland te klein voor. Mensen die in een vat buskruit leven, kunnen niet met vuur spelen, dus behandelt iedereen elkaar met fluwelen handschoenen en word de spanning elke dag een beetje groter. Dus roddelen we als een stel oude wijven. Om maar een uitlaatklep te hebben. Nieuws en gerucht gaan als een sprintend vuurtje in de rondte. Nou, ik vertel vanaf nu dus mooi niemand meer iets.

En altijd weer die overspannen paringsdans rond dat kampvuur. Ja Patrick, we weten dat je voorleest op het schooltje hier. Je bent grotere kindervriend dan Sinterklaas. Maar dat domme Deense wicht, krijg je toch wel het bed in, dus laat het toneelstuk maar achterwege. Kijk, daar loopt zo'n smerig lokaaltje. Pak hem maar op, aai hem over de bol, praat halfbakken-Creools tegen hem. Hup, op de schoot van de Deense, dat negertje. Hij is om op te vreten met z'n grote bruine ogen. 'Oh, ik wil hem mee naar huis nemen', zegt ze. Goed gedaan jongen, je hebt de eierstokken doen rammelen, ik hoor de verhalen morgenochtend wel weer.

En jou ben ik ook zat, Lili. Van je onvermogen om dit eiland te zien voor wat het is, word ik horendol. Altijd positief en vrolijk, altijd het beste in de mens willen zien; het zijn eigenschappen die geroemd worden, maar er komt een moment dat je hardhandig wakker wordt geschud. Als je wereldbeeld uit elkaar spat, wil je me dan even bellen om te zeggen dat ik toch gelijk had?

Maar jij kan ook de kolere krijgen, Jorden Tiebout. Jij en je pokkehumeur. Op een andere dag was alles van je afgegleden als water van een eend. Onbenoembare frustraties knagen aan je. Ze laten je zelfvertrouwen wegkwijnen en dat compenseer je met arrogantie. Je weet dit al langer, maar hebt er nog altijd geen remedie voor gevonden. Je ergert je de laatste tijd aan je woorden: degene op papier en degene die uit je mond komen. Je hebt moeite mensen te laten luisteren, je maakt ze niet meer aan het lachen. Ze zien je niet meer. Het voelt alsof je vocabulaire krimpt. Je probeert het te forceren, maar dat heeft een averechts effect. Al het kwikzilver is gestold. De magie van eerder, je kunt er niet meer bij. Je bent een stamelende peuter. Je wilt schreeuwen en schoppen en je voelt je verder dan ooit verwijderd van de persoon die je wilt zijn. Je bent bang dat je het niet meer terug zal kunnen vinden. De ratio zegt dat het goed komt (dat kan toch niet anders?), maar het hart is angstig.


En nu dames en heren goedenacht. Deze jongen zegt vaarwel. Hij huilt zich liever in slaap, dan nog meer van jullie gezemel aan toe moeten horen. Geniet nog van het kampvuur. Er is er pas over twee dagen weer één. Wie heeft m'n fles rum gejat? Afblijven, niet van jou.

Ik kom laat uit bed. Te laat om de frisheid van de Caribische ochtend nog te kunnen proeven. Ongeschoren, katerig en met de galsmaak nog in m'n mond loop ik door het dorp; het shirt halfopen en de mondhoeken naar beneden. Langdurig alcoholgebruik maakt me paranoïde. De wereld heeft het slechtste met me voor. M'n zenuwen zijn op. Ik besluit de volgende dag nog te vertrekken.

Een Amerikaanse familie komt me tegemoet. Vader en moeder dragen witte sokken in hun slippers. Zoonlief draagt een lang shirt van synthetische stof van de Chicago Bulls. Geen verheffend beeld. Maar de dochter van zestien staart naar me en als ik haar blik vang, bloost ze en kijkt naar de grond. Ik loop verder met een grijns op je gezicht. Voor wie meisjes van zestien kan laten blozen, is het nog niet te laat. Geluk zit net zo goed in een klein hoekje.

(Dat neemt niet weg dat het de hoogste tijd is dat ik mijn biezen pak.)