dinsdag 17 november 2009

Reisberichten (II)

13 november, 10:32 uur

Het regent nu al twee dagen onafgebroken; het soort regen dat wegen onbegaanbaar en gesprekken onverstaanbaar maakt. Ik vind het wel prima. De muggen blijven weg en je zweet niet zo. Bovendien schrijf ik meer als het regent. De zon maakt euforisch en daar heb je niets aan.

14 november, 15:12 uur

Ik ben strontverkouden. Gisteren voelde ik de druk in m'n hoofd steeds verder toenemen; m'n oren, neus, keel en brein zaten dicht. Vandaag heeft het drukventiel zich geopend en snotter en rochel ik. (nu we het over snot hebben gehad, heb ik het gevoel dat er een grens is overschreden en denk ik dat de tijd is gekomen om jullie binnenkort te verblijden met een stukje over ontlasting).

15 november, 19:05 uur

De afgelopen drie dagen heb ik doorgebracht in Puerto Viejo en dat is geen dag te kort. Ik ben bepaald geen fan van wat dé feestbestemming van Costa Rica is. Puerto Viejo is slechts twee keer groter dan het paradijselijke Cahuita, en dus naar alle maatstaven nog steeds niet meer dan een gehucht, maar de atmosfeer is radicaal anders. In Cahuita is de typische toerist iemand die langere tijd alleen rondreist, hier lopen grote groepen surfers en Amerikaanse tieners rond, die in twee weken alles uit hun vakantie willen halen. In Cahuita hoor je reggae van een keur aan artiesten, oud en nieuw, hier schalt 'The best of Bob Marley' uit elk geluidssysteem (Buffalo Soldier is een heel vervelend lied als je het voor de tiende keer hoort) en hebben ze een 'reggaewinkel' waar je mutsen in de kleuren van de Jamaicaanse vlag kan kopen. In Cahuita eet je authentieke Caribische gerechten, in Puerto Viejo eet men pizza en sushi. En de locals vertonen het bekende cynische gedrag dat massatoerisme zo vaak naar boven brengt .

Lopend in Puerto Viejo kan je je niet aan de indruk ontrekken dat je hier vijftien jaar te laat bent. Paradise Lost. Dus kijk ik uit naar archipel Boca's del Toro, dat ook toeristisch is, maar wel wonderschoon beloofd te zijn. Ik ben van plan te verblijven op één van de minder ontwikkelde eilanden en het populaire Isla Colon grotendeels links te laten liggen, om zo het 'Puerto Viejo-syndroom' te vermijden.

16 november, 22:25 uur

De homo sapiens is gebaat bij weerstand, schrijft Tommy Wieringa. Wij waarderen de dingen meer als het moeite heeft gekost ze te bemachtigen. Misschien dat ik daarom zo enthousiast ben over Boca's del Toro. Hemelsbreed liggen de eilanden misschien zestig kilometer van Puerto Viejo maar je bereikt ze pas na een hete en zweterige busrit, een bezoek aan de Costa Ricaanse douane, een wandeling over een roestige spoorbrug die de grensrivier overspant, een bezoek aan de Panamese douane, een rit in een taxibusje, en twee overtochten met bootjes, de eerste om het toeristische Isla Colon te bereiken de tweede om naar het minder ontwikkelde Isla Bastimentos te komen, waar ik gisteren in de schemering voet aan wal zette.

Weerstand zal ook zeker hebben bijgedragen aan mijn oordeel over de stranden. Die zijn zo Caribisch als maar zijn kan: wit zand, palmbomen, helderblauw water en vrijwel niemand in zicht. Maar om er te komen is geen sinecure. Daarvoor moet een pad door het oerwoud afgelegd worden. Een modderpad waar je soms tot je knieën in weg zakt, smal en vaak steil, spekglad met scherpe stenen en allerlei gemene prikkelplanten. Het terrein was uitsluitend geschikt voor laarzen, maar ik liep op m'n slippers en al snel op blote voeten, omdat de grip op het pad met slippers vrijwel nul was.

De tocht bedroeg 1,2 kilometer, maar ik heb er bijna een uur over gedaan. Halverwege kreeg ik gezelschap van een jonge Duitser – ook barrevoets – die me inhaalde. Ik ben niet gezegend met een bijster goed evenwichtsgevoel en hij was aanmerkelijk rapper. De Duitser – type ubermensch – was zo vriendelijk te suggereren dat hij sneller was omdat hij als timmerman vaak op daken werkte, terwijl we beiden wisten dat de voornaamste reden was dat ik gewoon spastisch ben. Omdat hij me steeds trouw opwachtte en geen onvertogen woord zei over mijn onvermogen hem bij te houden, begonnen onze ploeteringen een beetje te lijken op de tocht van Frodo en Sam in Lord of the Rings. Frodo – bleek en breekbaar, de intellectueel – bereikte Mordor alleen dankzij de niet aflatende hulp van Sam – blond, sterke en gezonde tuinman en zo trouw als een puppy. En de hobbits droegen ook geen schoenen.

vrijdag 13 november 2009

Gevraagd: één overvaller voor dronken jongeman. Geweld is bespreekbaar.

Frank uit Boston is overvallen. Gisternacht kon hij zijn kamer niet in, zijn sleutel was foetsie. De klojo is toen buiten in slaap gevallen op een bankje, en werd, naar eigen zeggen, wakker met de punt van een machete op z'n borst.

Frank is een vriendelijke jongen die graag een praatje aanknoopt. Ik ontmoette hem in Cahuita. Onze gesprekken duurden nooit lang, want praten met Frank is ongeveer zo boeiend als naar een draaiende wasmachine kijken. Ik zag hem vandaag weer in het nabijgelegen Puerto Viejo. Hij had een schram op z'n kop. 'Dat ziet er lelijk uit man, heeft hij je ook een tik verkocht?', vraag ik als hij klaar is met zijn relaas – ik heb m'n empathische modus aan staan. 'Nee, ik ben eerder op de avond van m'n fiets gevallen.'

Het klinkt hard, maar sommige mensen verdienen het. Had dit mij kunnen gebeuren? Jazeker, maar niet op deze manier. Midden-Amerika kan gevaarlijk zijn. Dat staat buiten kijf. Bepaalde dingen doe je gewoon niet. Zoals rondlopen met je paspoort en creditcard op zak, pinnen na zonsondergang, je inlaten met schimmige figuren die in illegale middelen handelen of – zoals Frank – meer drinken dan je op kan, vervolgens van je fiets lazeren*, je sleutel kwijt raken en daarna buiten in slaap vallen. Andere dingen doe je gewoon wel, zoals de reisgids erop naslaan of er straten zijn die vermeden dienen te worden, en de hotelkamer controleren op sporen van braak voordat je erin trekt.**

Frank doet luchtig over het voorval – hij had niet meer dan twintig dollar op zak – maar ik zie dat hij is aangedaan. Ook al is het een naïeve eikel, het is makkelijk medelijden met hem te hebben. Hij is klein, bleek en mager, heeft een warrige bos haar en waterige ogen. Hij vindt het moeilijk een coherent verhaal te vertellen en zou waarschijnlijk een nier afstaan voor een nacht met een mooie dame. Zijn versierpogingen zijn vertederend, hij benadert elk meisje met het zinnetje: 'Hello princess'; zoveel bravoure past niet bij zijn timide verschijning en zijn dunne stem.

Frank is ook werkeloos. Toen de kredietcrisis langs kwam bij zijn werkgever, een verzekeringsmaatschappij, stond Frank als één van de eersten op straat. Eigenlijk is hij in alles een slachtoffer; wie naar hem kijkt en zijn verhaal hoort, snapt waarom de overvaller hem heeft uitgekozen.

Ik speel de barmhartige Samaritaan en trakteer Frank op lunch, waar ik tien minuten later weer spijt van heb, omdat hij me dood verveeld met verzonnen verhalen over zijn amoureuze veroveringen. Stom, naïef rund.

*Hebben jullie weleens nagedacht over de herkomst van het woord 'lazeren'? Aangezien het vaak in situaties van dronkenschap wordt gebruikt – 'met je zatte hoofd van je fiets lazeren' – lijkt het me plausibel dat het te maken heeft met 'lazarus zijn', de uitdrukking die weer afkomstig is van de Bijbelse figuur Lazarus. Wie het beter weet, mag het zeggen.

**Als deze alinea ietwat belerend klinkt dan komt dat omdat ik m'n ouders duidelijk wil maken dat ik echt wel goed oplet, zodat ze niet onnodig bang worden door dit stukje over overvallen.

woensdag 11 november 2009

Reisbericht XL

Het is tijd om te gaan. Het is tijd om, zoals de Amerikanen zeggen, 'betere weiden' (better pastures) op te zoeken. Morgen vertrek ik na tien dagen Cahuita naar Puerto Viejo, waar ik maximaal drie dagen doorbreng. Daarna vervolgt de reis zich naar het Panamese eilandenparadijs Boca's del Toro. Degenen onder jullie die geografisch onderlegd zijn, snappen dat ik naar het zuiden beweeg, terwijl het einddoel Mexico-Stad is, zo'n 2000 km noordelijk van hier. Dat betekent dat ik na Boca's snel een paar grote stappen noordwaarts wil maken. Immers: ik ben op dat moment al anderhalve maand onderweg (de bootreis meegerekend) en heb nog 'maar' vierenhalve maand te gaan. Genoeg tijd, maar het is geen slecht idee in de juiste richting te gaan bewegen.

Cahuita was heerlijk, een droom, maar nu heb ik last van onderhuidse jeuk. Je wordt er kriegelig van om steeds dezelfde gezichten te zien. De jongen die je één keer iets te drinken hebt gegeven en die nu als een bedelend hondje achter je aan loopt, hopend dat de koek nog niet op is. De barvrouw die precies weet wat je drinkt ('grande trago de guaro con fresca') en je de moeite bespaart om in gebrekkig Spaans te bestellen. De rotkop van de neger buiten, een kansloos figuur die zeven dagen per week op een straathoek staat te dansen op de muziek die uit de bar komt. Hij mag niet naar binnen omdat hij van 's ochtends vroeg tot in de kleine uurtjes, strak staat van de pillen. Vaak trilt zijn rechteroog. En toch nemen blonde meisjes hem mee naar huis; ze zien hem voor het eerst, ze weten niet beter. Shakespeare's groenogige monster laat zijn tanden zien.

Dus ga ik verkassen. Ik was hier vier keer langer dan de gemiddelde bezoeker maar heb attracties als het Bibri-indianenreservaat met spectaculaire waterval in de jungle niet eens gezien. Ik rouw er niet om, er komen nog genoeg watervallen en indianen en ik hecht meer waarde aan het observeren vanaf m'n barkruk of badlaken. Mensen kijken is niet anders dan apen spotten* in het bos: je moet langzaam bewegen om ze te zien.

*Gisteren behalve de gebruikelijke kapucijnaapjes ook brulapen van héél dichtbij gezien!

maandag 9 november 2009

Mannen onder elkaar

'Zij lijkt op Heather Locklear', zegt Thomas die in de Amsterdamse Jordaan woont. 'Ja, maar dan zonder make-up en tien jaar ouder', zeg ik. Toch is de gelijkenis treffend. Heather drinkt koffie in café Parquecito waar Thomas en ik zojuist het diner genuttigd hebben. Ze draagt een strak T-shirt om een sportief bovenlijf en een baseballpet. Een paardenstaart stroomt uit de opening aan de achterkant. Ze ziet er Amerikaans uit, maar praat Spaans met de bediening, die ze duidelijk goed kent.

'Zou het haar zijn?', vraagt Thomas. We werpen steelse blikken haar kant op. Ik uit mijn twijfel: 'Als het inderdaad Heather Locklear is, wat doet ze dan in dit café, op deze plek?' 'Misschien kan ze hier anoniem rondlopen.' Ik geef toe dat het mogelijk is, immers: de meeste beelden van Heather Locklear op de Nederlandse TV dateren van een decennium geleden.

'Ga het vragen', suggereer ik. 'Het is een ouwe tang als je het mij vraagt, maar als het werkelijk Heather Locklear is, zullen we dat gemakshalve even negeren.' Inmiddels kijkt Heather – die haar naam continu hoort vallen – onze kant op. Thomas lacht: 'Je wil dat ik aan een oud, verlept wijf vraag of ze toevallig Heather Locklear is?'

Heather staat op en loopt naar onze tafel. Mijn hart slaat een slag over. 'Jullie zijn ook Nederlanders, toch?', zegt ze met een Rotterdams accent. 'Mag ik vragen met welke maatschappij jullie vliegen, want ik zoek een goedkoop ticket.'

Tijdens het bier, later op de avond, spreken Thomas en ik meermaals de hoop uit dat de Rotterdamse ons gesprek niet heeft kunnen horen. Diep van binnen zijn we aardige jongens.

zaterdag 7 november 2009

Een boek voor Cahuita

De oude rasta is zeventig jaar, maar heeft het lijf van een jonge kickbokser: een ebbenhouten sculptuur. Zijn verweerde gezicht en grijze dreadlocks verraden zijn leeftijd, op de rest van het lichaam heeft de tijd geen vat. Hoe het kan, is een raadsel: de rasta doet de ganse dag niets anders dan rondjes lopen zonder shirt en neuriën, meestal stoned. Wat is zijn verhaal? En wat is het verhaal van de andere inwoners – de meeste afstammelingen van Jamaicaanse immigranten – in dit dorp?.

Cahuita is niet meer dan een nederzetting van een paar stoffige straten, uitgehakt in de jungle. Ten noorden van het dorp ligt een strand met zwart zand, ten zuiden een strand met wit zand. Daar is ook het Cahuita National Park, waar je het pad door de jungle kan volgen. Toegang is gratis. Toen de overheid entree wilde gaan heffen, barricadeerden de inwoners van Cahuita de wegen. Ze wonnen en hun National Park is nog immer vrij van entreegeld. Donaties zijn vanzelfsprekend welkom.

Dit paradijselijke dorp en haar inwoners lenen zich voor een boek. Een schrijver zou hier een jaar moeten verblijven en de kleurrijke personages portretteren. Uit de afzonderlijke portretten zal dan de ziel van deze mooie plek naar boven komen. Onze schrijver doet er goed aan te beginnen bij Sankey, de curator – en enige medewerker – van het piepkleine Afro-Carribean Museum en tevens auteur van het boek 'What Happen': een geschiedenis van dit oord met verhalen die jarenlang mondeling zijn doorgegeven.

Daarna zou hij vrienden kunnen worden met Mack, de eigenaar van reggaebar Coco's, waar alle nachtwezens zich verzamelen. Mack weet zonder twijfel geheimen van zijn clientèle en kan de schrijver bij hen kan introduceren. Maar misschien heeft onze Hemingway eerst honger en gaat hij eten bij Madame Edith, die haar restaurant volledig in haar eentje bestiert en zelf de bestellingen opneemt, de drankjes inschenkt, het eten bereidt en serveert en met je afrekent. Soms wacht je bijna een uur maar de 'carribean chicken' in cocosmelk is zo mals dat het vlees van het bot valt als je erop blaast. Edith is een grote zwarte vrouw die zwijgend serveert en het zal niet makkelijk zijn voor de schrijver om haar aan het praten te krijgen, maar ze is onmisbaar voor het boek.

Cahuita is van oorsprong weliswaar een Jamaicaanse nederzetting maar tegenwoordig is de bevolkingssamenstelling zeer divers. Dus moet de schrijver ook op bezoek bij de Latino's en de Amerikaanse en Europese expats. Dat levert direct leuke, nieuwe perspectieven op want dankzij hun afwijkende achtergrond en referentiekader beschouwen zij de wereld om hen heen natuurlijk volstrekt anders.

Vriend schrijver zou eens aan de twee mooie Costa Ricaanse meisjes, die over de enige verharde weg in het dorp flaneren, moeten vragen wat ze verwachten van het leven. Waarschijnlijk kijken ze dan achterom waar hun voorland loopt in de vorm van hun moddervette moeders. Aan elke schouder hangt een olifantenpoot, ze hebben kwabbige ruggen en een reet als de achtersteven van de Titanic. Vrouwen worden snel een beetje vadsig hier.

Dan naar de expats, die vrijwel altijd een hotel bestieren. Kleine gelegenheden zonder pretentie met niet meer dan vijf kamers die direct vanaf de straat – of het strand – toegankelijk zijn. Ze zijn gemaakt van hout en hebben golfplaten daken. Voor een 'cabina' met warme douche moet extra worden betaald. De eigenares van Cabinas Brisas del Mar ('hutjes zeewind') is de Amerikaanse Jenny. Ze vertelt graag, maar zelden coherent, dus de schrijver moet gezegend zijn met een talent om tussen de regels door te lezen. Maar misschien kan ze een boute uitspraak doen over hoe zij en de andere hoteleigenaren van het eerste uur, aankijken tegen de recente hoogbouw in het dorp: twee betonnen hotels en één in aanbouw van maar liefst drie verdiepingen. Airconditioning en kabel-TV zijn gearriveerd in Cahuita.

Wellicht dat de auteur vervolgens doorverwezen wordt naar de Zwitserse dame die schoonmaakbedrijfje 'Clean & Clear' bezit. Ze komt letterlijk bij iedereen binnen en is mogelijk een waardevolle bron van informatie. En wie is toch de eigenaar van 'Rudi's Wurstelbar': een gammele houten kar midden in het dorp waar meestal niks gebeurt, maar soms opeens een barbecue brandt. Degene die de bratwurst draait heet zeker geen Rudi, want het is een gekleurde dame.

Maar het gaat niet alle expats hier voor de wind. Mogelijk heeft de schrijver bij aankomst in het gehucht al kennis gemaakt met Lisa. Ze komt uit Duitsland, is graatmager, draagt vale T-shirts en heeft een junkenkop. Met haar bijna tandeloze mond spreekt ze toeristen aan en biedt aan ze naar een hotel te brengen. De meesten negeren haar, alleen de Duitstaligen accepteren soms de hulp. Want wie laat nu een landgenoot staan en, ach, wat kan het kwaad om een paar dollar te geven voor een dienst? Maar Lisa houdt haar hand niet op. Het zijn de hoteleigenaren die haar soms iets toestoppen, uit liefdadigheid. De schrijver wil het verhaal van Lisa graag hebben. Hoe glij je als bevoorrechte West-Europese in godsnaam af tot de status van dakloze junk in Costa Rica? Het zou het begin kunnen zijn van een groter thema: de schaduwkanten van het paradijs.

Als onze Harry Mulish in spe dat pad besluit te bewandelen moet hij zeker de drugsdealers benaderen. Daarmee heeft hij direct een hele generatie aan inwoners te pakken want iedere zwarte jongen onder de dertig dealt. Het is niet hun baan, maar slechts een nevenactiviteit. Ze hebben het spul toch, omdat ze zelf gebruiken en proberen iets te verdienen door de rest te verkopen. Als dat niet lukt, is er geen man overboord. Wanneer de toerist 'nee dank je' antwoordt, dan volgt steevast het 'no problem, my friend', soms gevolgd door de rasta-uitdrukking 'one love!'. Geld verdienen is leuk, maar het moet niet teveel moeite kosten. Dat geldt voor alle vormen van bedrijvigheid hier: legaal en illegaal.

Naar verluidt is er nog één andere illegale bezigheid in zwang in dit gebied: het sekstourisme. Stikt het van de treurige dikke mannen die een jong meisje zoeken? Dat had je gedacht! De sekstoeristen zijn vrouwen en ze komen voor de gespierde rasta's. Onze schrijver zal dus op zoek moeten naar een seksbeluste dame en een rasta die zijn diensten aanbiedt. Dat is niet zo makkelijk. De heren staan niet te wachten achter een raam met een rode TL-balk. Het is een zeer informele vorm van prostitutie. De jongens versieren vrouwen in een bar of op het strand. Niet elke dame weet van tevoren dat het hier om betaalde liefde gaat. Maar betalen doen ze allemaal, want wie zegt er nee met een grote neger in de kamer? Overigens weet het gros van de vrouwen precies hoe het werkt, zij spreken over 'rent-a-rasta'.

Is elke lokale jongen een bijbeunende drugsdealer en deeltijd prostituee? Er zijn natuurlijk de regelbevestigende uitzonderingen. Neem bijvoorbeeld 'King', volgens iedereen de mooiste jongen van het dorp. King vaart elke ochtend om negen uur uit naar het koraalrif, waar toeristen kunnen snorkelen. Als het water die dag te troebel blijkt, of de golven te hoog, dan neemt King zijn gasten kosteloos mee de jungle in, waar hij demonstreert een fantastisch talent te hebben om apen en luiaards in de bomen te signaleren en slangen op de grond. En zou de schrijver dan vragen of de kokosnoten eetbaar zijn dan klimt oermens King een palmboom in en keert terug met de vrucht, die hij doorklieft met één enkele haal van zijn machete.

Het boek is niet compleet zonder een passage over Mister Big. J.: een neger met een grijze ringbaard en een oorbel. Op de deur van zijn winkel staat: 'De laatste cowboy van Cahuita.' Het is een 'one-stop-shop'. Bij hem kun je terecht voor een snorkeltour, fietsverhuur, excursies te paard, boekenuitleen, een bezoek aan het indianenreservaat, lezingen over lokale geschiedenis en nog minstens twintig andere diensten. Zijn 'core business' is echter de wasserette. Voor vier dollar wast de laatste cowboy van Cahuita je vuile onderbroeken die je schoon, droog en opgevouwen terugkrijgt in een vuilniszak met je naam erop.

Nieuw in het dorp is de Australische Asiah, die eigenlijk gewoon Kate heet. Asiah is de naam die ze aannam na haar inwijding in de geheimen van Tantra-Yoga. Ze is drie weken geleden als bezoeker gearriveerd en wil niet meer weg. De schrijver zou Asiahs pogingen om zich vestigen en zieltjes te winnen voor de lessen Tantra-Yoga als een soort rode draad in het boek kunnen opnemen. Stiekem hoopt hij dat Asiahs verhaal eindigt in desillusie, dat is smeuïger.

De rugzaktoeristen zijn zich vanzelfsprekend niet bewust van wat er zich onder de oppervlakte afspeelt, daarvoor blijven ze te kort. Het mooie, lange meisje met het rode haar en het ondeugende gezicht vertrekt na anderhalve dag weer naar het busstation: de grote rugzak op de rug, de kleine op de buik, twee stevige loopschoenen bungelen met de veters aan haar bagage. Misschien is ze Nederlands; daarvan zijn er veel hier. Meestal herken je ze van grote afstand: zwetende kaas in de zon.

Om alles in perspectief te plaatsen voert de schrijver aan het eind van het boek een man op die men 'de filosoof' noemt. Hij zegt dingen als: 'In San José had ik een fiets. Ik gebruikte hem een decennium lang zonder problemen. Ik nam de fiets mee naar Cahuita en hij was na tien weken verroest.' Hij praat op een karakteristieke manier; vol en rond en met nadruk op het laatste woord van elke zin. Praten doe je hier met je lippen en niet -zoals wij- vanuit de keel. 'Alles roest hier. Wij ook. Zelf ben ik natuurlijk volkomen vastgeroest. Terug naar San José kan niet, want alles kost daar geld. En geld heb ik niet. Het strand en de zee kosten me niets.' Het klinkt diepzinnig en de schrijver is tevreden, want de lezer zal geloven dat hij geslaagd is om tot de kern van zijn onderwerp – welke magie de volatiele samenstelling van mensen in dit dorp bijeen houdt - door te dringen.

Is er een broodschrijver te vinden die er zin in heeft? Zelf heb ik de tijd niet en bovendien: mijn geloofsbrieven zijn te mager. Daarnaast is het portretteren van een geïsoleerde, excentrieke gemeenschap in de romanvorm een nogal platgetreden genre. Het is al tientallen keren gedaan. Cahuita moet voorlopig tevreden zijn met een veel te lang bericht in een weblog.

Begrafenis

De meeste muggen hier zijn klein en onzichtbaar, maar nu neemt een grote vette bruut van een mug prinsheerlijk op m'n been plaats en penetreert met zijn angel van twee centimeter opper- en lederhuid. Ik mep hem van me af en op het moment dat hij laag vliegt verpletter ik hem tussen slipper en terras en verzink weer in gedachten. Na drie minuten ontwaar ik beweging in m'n ooghoek. Honderden kleine mieren hebben zich verzameld rondom het lijk. Een minuut later hebben ze de mug die met zijn lichaamssappen – en de mijne – aan het terras zat gekleefd los gewrikt. Er ontstaat een colonne van mieren van het plaats delict, over de rode tegels, naar het nest in het zand, van zeker vijf meter lang. Vijf meter aan mieren, voor één mug! Het slachtoffer wordt over mierenruggetjes doorgegeven richting nest. Het ziet er bijna plechtig uit. Ondertussen blijven tientallen mieren ijverig trekken aan kleinere stukjes mug die zijn achtergebleven, niet zichtbaar voor het mensenoog. Na tien minuten zijn de mieren weg en bevindt het bewijs dat ik één van Gods schepsels van het leven heb beroofd zich onder de grond.

Allemaal leuk en aardig die apen, maar dit was het meest fascinerende natuurfenomeen dat ik hier heb gezien.

Reisberichten (I)

30 oktober, 16:00 uur

Toen ik zei dat ik direct na de boot naar Cahuita zou gaan, heb ik gelogen. Excuses daarvoor. Vandaag en morgen zit ik in een hotel in Puerto Limon. Het is een smerige en ook gevaarlijke stad, maar is niet geheel zonder charme. In het stadsparkje leven luiaarden. Ze zijn voor Westerse ogen alleen moeilijk te spotten in hun habitat hoog in de boomtoppen. De luiaarden aan de voet van de boom – ongeschoren en bier drinkend uit een fles in een bruine papieren zak – zijn makkelijker te herkennen. Een jochie van een jaar of zeven biedt zijn diensten aan terwijl ik verwoede pogingen doe een luiaard te ontwaren. 'Want to see baby sloth, sir?'. Ik denk: 'dit gaat geld kosten', maar wil 'baby sloth' toch wel zien. Het jochie brengt me naar een boom, de beesten zijn goed gecamoufleerd, maar na herhaaldelijk aanwijzen zie ik hem toch. 'Don't stand under him sir, he makes lot of poopie poopie.' Het jochie vraagt om een fooi. Bedelende kinderen geef ik meestal niets, maar dit jong heeft blijk gegeven van zakeninstinct en dat mag beloond worden. Dan staan er opeens vijf vriendjes – geen idee waar ze vandaan kwamen – om me heen. Zij menen dat ze ook fooi verdienen. Ik verdeel m'n kleingeld, het equivalent van twee dollar. Ze zijn er oprecht blij mee. Als een kind.

31 oktober, 23:15 uur

Of ik toevallig Peter Jager uit Amsterdam ken, wil barvrouw Anna van Bar Washington weten...

2 november, 16:20 uur

Na een redelijk bloedstollende busrit ben ik gisteren aangekomen in Cahuita en het is hier fantastisch. M'n hartslag is minstens tien slagen gedaald, stress bestaat hier niet.

5 november, 08:55 uur

Nog immer in Cahuita en naar alle waarschijnlijkheid blijf ik nog wel even. Ik zal binnenkort een stukje proberen te schrijven waarin ik het dorp recht doe, maar ik heb het idee dat de zeelucht, die alles hier roestig en zout maakt, ook m'n hersenpan doet corroderen en verzilten. Ik schrijf niet veel momenteel.

Het strand van Cahuita is onderdeel van een nationaal park; beschermd natuurgebied dus. En dan is best bijzonder om liggend op het strand je ogen te openen en een zwart aapje met een wit gezicht te zien in de overhangende boom. En als hij dan een kokosnoot op je knar probeert te gooien, heb je een goede anekdote voor later in de kroeg. En het geluid dat de grotere, zwarte apen maken als de zon opkomt is van een volume dat niet te beschrijven valt. En de papegaaien, de luiaards, de slangen, de vleermuizen die 's avonds langs je raam scheren en de gekko op het plafond dragen allemaal bij aan het 'wauw-ik-ben-op-een-ander-continent-gevoel.'